|
|
|
| Kunst en religie
Twee
mensen zien het zelfde landschap vanuit verschillende standpunten. Toch
zien ze niet het zelfde. Hun verschillende positie maakt dat het landschap zich
voor hen beiden op verschillende manier opbouwt. Wat voor de een op de voorgrond
staat en al zijn details sterk doet uitkomen, bevindt zich voor de ander op de
achtergrond en blijft duister en vaag. Bovendien, aangezien ding en die achter
elkaar staan elkaar geheel of gedeeltelijk verbergen ziet elk van beiden delen
van het landschap die tot de ander niet doordringen. Zou het nu zin hebben dat
elk van hen het landschap van de ander voor vervalst verklaar de klaarblijkelijk
niet: het ene is even reëel als het andere. Maar het zou even min zin hebben
dat ze, tot overeenstemming gekomen, hun landschappen voor illusoir verklaarden
omdat die niet aan elkaar gelijk zijn. Dit zou dan veronderstellen dat er nog
een derde, een authentiek landschap is dat niet onderworpen is aan dezelfde
voorwaarden als de twee andere. Welnu, dit oer-landschap bestaat niet en kan
niet bestaan. De kosmische realiteit is zo dat ze alleen gezien kan worden in
een bepaald perspectief. Het perspectief is een van de componenten van de
realiteit. Het is niet haar vervorming maar juist haar organisatie. Een
realiteit die van welk punt ook gezien altijd gelijk was is een absurditeit.
InleidingKunst en religie zijn beide begrippen met een lange geschiedenis. Er is veel over nagedacht en geschreven. In deze bijdrage wordt geen overzicht van die geschiedenis gepresenteerd. Ook volgt géén kunstfilosofische beschouwing over de werking van deze begrippen en hun onderlinge dynamiek. Kunst en religie zijn beiden begrippen die context bepaald zijn. Dat wil zeggen dat de invulling die aan het begrip gegeven wordt afhankelijk is van het perspectief van de gebruiker en de cultuur waarin deze leeft. In die zin is er sprake van een voortdurende betekenisverschuiving en is het de vraag waar we over spreken als we over kunst en religie spreken. Bedoelen we wel hetzelfde? Hebben we dezelfde werkelijkheid op het oog? Net omdat kunst en religie, zeker in onze tijd, zo veelomvattend zijn geworden, men kan er van alles onder verstaan, valt het niet mee om hier helder over te communiceren. Daarom wil ik de reikwijdte van deze bijdrage sterk inperken tot enkele punten. Ik concentreer me op de vraag wat vandaag de dag onder religieuze kunst kan worden verstaan. Dat doe ik op een geheel eigen manier vanuit het begrip semiose, een begrip ontleent aan de semiotiek van Ch.S. Peirce. Eerst zal ik een begripsverheldering geven van wat ik onder kunst en religie versta. Vervolgens sta ik stil bij een voorbeeld hoe met de verbeelding van het heilige is omgegaan in de geschiedenis met als uitgangspunt het beeldenverbod zoals dat overgeleverd is uit de bijbel. Dat alles slechts in vogelvlucht en met alle tekortkomingen en generalisaties van dien[2]. Vervolgens wil ik stil staan bij de betekenis van het kunstwerk in relatie tot het religieuze. Op dit laatste aspect zal de meeste nadruk komen te liggen omdat dit mij als “homo religiosus” het meest aan het hart gaat.
BegripsverhelderingDe begrippen kunst en religie zijn in de geschiedenis van de mensheid redelijk recent. Kunst werd vroeger (ruwweg voor 1500), voordat het begrip een eigen vlucht ging nemen als product van een speciale groep kunstenaars, gezien als een ambacht. In het Engelse ‘art’ komt dat nog tot uitdrukking. Om dat ambacht goed te verrichten had men een aantal vaardigheden nodig. Als het ambacht in dienst stond van een religieuze organisatie die opdrachten verstrekte, werden er voorwerpen, beelden en afbeeldingen, gemaakt die in een religieuze ruimte een functie gingen vervullen. Van ‘religieuze kunst’ als zondanig in de moderne zin van het woord was geen sprake. Ook het begrip religie is een late uitvinding toen men ging nadenken over de rol en invloed van religieuze systemen in de maatschappij. Er waren natuurlijk al veel eerder religieuze uitingen van mensen die bijvoorbeeld zichtbaar werden gemaakt in gebouwen waar rituelen plaatsvonden. Die gebouwen of ruimtes werden aangekleed en versierd met bijzondere uitingen in de vorm van afbeeldingen en beelden. Muziek, spel en drama speelden daarbij een rol en hadden een religieuze connotatie of functie in dat ritueel. Maar de abstrahering van dergelijke gebeurtenissen met behulp van het begrip religie is van latere datum. Vanuit een hedendaags begrip van kunst en religie is er het een ander te zeggen over de ontwikkeling en samenhang tussen deze begrippen. Maar daarvoor is het wel noodzakelijk om de begrippen kunst en religie te omschrijven. Ik versta onder kunst: het proces en het resultaat van een bijzondere inspanning van een of meerdere personen om betekenis te geven aan (aspecten van) hun ervaringen binnen de context van een cultuur. Ik spreek over een bijzondere inspanning omdat het niet vanzelfsprekend is om die ervaring in een vorm te gieten die afwijkt van de alledaagse bezigheden van werken, rusten, eten en slapen. Het proces van betekenisgeving is in deze omschrijving de kern waar het omdraait. De vorm waarin dit plaats kan vinden via taal, verf, beeld (video - film), muziek of steen en ander materiaal, is daarbij belangrijk, maar komt niet op de eerste plaats. Ook de erkenning van de persoon als kunstenaar via een diploma of maatschappelijke status is niet primair. Of de maatschappij alle producten en de manier van werken ook als kunst waardeert is een ander verhaal. Mede afhankelijk van de receptie van het publiek en de bemiddelende instanties (musea, galerie, prijzen, media) is een ontwikkeling ontstaan die niet altijd positief valt te waarderen. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan het vermarkten van kunstwerken en het ritueel hoe met producten van kunstenaars wordt omgegaan (veilingen) in de media en het publieke debat. Ik versta onder religie: het geheel van handelingen en ideeën van individuen en gemeenschappen waarin de relatie tussen de immanente werkelijkheid en de transcendente werkelijkheid (of aspecten daarvan) wordt zichtbaar gemaakt, via woord, beeld en handeling. Met immanente werkelijkheid bedoel ik de werkelijkheid die ons omgeeft en waar we deel vanuit maken en die met onze zintuigen te ervaren en beschrijven is. Met transcendente werkelijkheid bedoel ik de “werkelijkheid” die buiten onze immanente ervaringen aanwezig is en die aangeduid wordt in getuigenissen hierover. We moeten het noodgedwongen met getuigenissen doen omdat de fysica niet de instrumenten levert om deze werkelijkheid afdoende te beschrijven en te verklaren. De exacte wetenschap weet niet meer van God dan dat er mensen zijn die zeggen dat ze in God geloven. Voor de een is dat een argument dat genoeg overtuigingskracht en waarheidsgehalte heeft, voor de ander geldt dit niet. Feit is dat religie gaat over het overstijgen van de immanente dimensies van ons bestaan. Hoe dat proces van betekenis geven verder inhoudelijk ingevuld wordt hangt af van de context, de cultuur en de inhoud van verschillende godsdiensten. Kunst en religie zijn dus beiden processen waarin betekenisgeving centraal staat en in die zin hebben zij dus veel overeenkomsten en is een strikte scheiding bijna ondoenlijk. Als er al een onderscheiding mogelijk is, vindt deze plaats op het gebied van de inhoud. In het functioneren van beide domeinen komen ze vaak overeen. Net omdat kunst en religie geen grootheden zijn die we in historisch opzicht zomaar naast elkaar kunnen plaatsen blijft het moeilijk om vanuit een hedendaagse optiek conflicten op het terrein van religie en kunst te analyseren en te waarderen. Vanuit historisch oogpunt is bijvoorbeeld de verbeelding van het heilige en sacrale soms een bron van conflicten, maar wat dat betekent voor de verhouding tussen kunst en religie valt moeilijk te destilleren. In de volgende paragraaf sta ik stil bij enkele voorbeelden van deze verbeelding van het heilige en bespreek ik summier een aantal momenten uit de geschiedenis beginnende met het beeldenverbod uit de schrift.
Geschiedenis in vogelvlucht
De verbeelding van het heilige, dat domein dat wordt toegekend als het domein van God en het goddelijke in de religie, is divers. Ik beperk me in deze tot de Christelijke traditie. In deze geschiedenis zijn een paar momenten aan te wijzen waar de spanning zichtbaar wordt tussen voorstanders en tegenstanders van beelden en afbeeldingen van het heilige in bijvoorbeeld religieuze ruimtes. Uit het Oude Testament is het beeldenverbod bekend dat in de boeken Koningen en Hosea wordt uitgewerkt en toegelicht (ruwweg de periode 900-650 v. Chr.). In deze traditie, die één God centraal stelt, wordt de verering van andere godheden verboden. Stierbeelden en beelden van slangen verdwijnen uit de tempel. Het verbod geldt vooral de toekenning van macht aan beelden en afbeeldingen die niet stroken met de visie op de God van Israël. Het toekennen van betekenis aan beelden door mensenhanden vervaardigd wordt dus sterk afgewezen en in profeten zoals Jesaja en Hosea ook belachelijk gemaakt. In Byzantium vindt in de achtste en negende eeuw na Christus een heftige strijd plaats over het toestaan van het beeld in de vorm van ikonen. In feite loopt deze discussie al vanaf de vierde eeuw. In de oosterse kerken krijgt het beeld als ikoon een plaats in de liturgie en het kerkgebouw. In de westerse kerken verschijnen er beelden van Jezus en Maria en later van andere heiligen. Ook het kruisbeeld krijgt een prominente plaats. Nadruk valt niet op de verering van het beeld zelf, maar op het verwijzende karakter van het beeld. In de twaalfde eeuw vindt er een brede
discussie plaats in West-Europa die zal uitlopen tot de reformatie in de
zestiende eeuw over de vraag of beelden en afbeeldingen in religieuze gebouwen
zijn toegestaan. In 1497-98 gaat Savonarola in Florence over tot het verbranden
van afbeeldingen. Onder invloed van de reformatie vindt een halve eeuw later een
‘beeldenstorm’ plaats. Vanuit een besef dat de aankleding van (katholieke)
kerken niet puriteins genoeg is (lees niet bijbelget Nieuwe kerken die toen werden gebouwd grijpen terug op het verleden. Er is sprake van neogothiek, neoclassicisme en neoromantiek. Vooral na de Tweede Wereldoorlog komen er grote veranderingen in bouwwijze en inrichting van de religieuze ruimtes. Men spreekt opeens over de invloed van de moderne architectuur op het kerkgebouw. Een ontwikkeling die zich tot de dag van vandaag voortzet. Kerken worden soms afgebroken omdat er te weinig kerkgangers zijn om het gebouw te onderhouden. De afbraak van kerkgebouwen maakt soms veel emoties los omdat de kerkgangers hun eigen betekenissen hebben gehecht aan de sfeer en de kunstwerken in een gebouw. Nieuw is echter ook dat in de discussies nagedacht ging worden over de plaats van het kunstwerk in een religieuze ruimte. Na Vatikanum II haalt men bewust moderne kunst binnen in de kerken. Deze discussie kreeg ook een nieuwe impuls bij de herinrichting van kerkgebouwen. Vooral in het Duitse taalgebied werd en wordt die discussie met hartstocht gevoerd. In de dialoog tussen kunst en kerk spreekt men wel van een spanning tussen tempel en museum. Musea tonen kerkelijke kunst en kerken tonen moderne kunst. Grenzen lijken soms te vervagen. Moderne kunstenaars worden uitgenodigd om interieurs en zelfs liturgische kleding opnieuw te ontwerpen. De bovengenoemde strijdperiodes in de geschiedenis tot en met de ontwikkelingen van vandaag de dag met kerksluitingen en verbouwingen zijn onderling niet zo goed te vergelijken omdat de tijdperken en hun achtergronden religieus en cultureel zeer verschillend zijn. Het is aan de invloed van de reformatie en de opkomst van de steden met een bemiddelde klasse van handelaren en nieuwe rijken te danken, dat kunstenaars definitief voor zichzelf gingen werken en niet alleen maar in opdracht van religieuze instituten. De kunst werd zelfstandig, er ontstond zoiets als wat wij heden kunst noemen. Het werk van kunstenaars dat eerst in religieuze ruimtes te zien was, komt nu ook in publieke gebouwen van de overheid, thuis bij particulieren (landschappen en portretten) en tenslotte in musea terecht. Kunst wordt een verzamelobject en kunstwerken gaan een eigen leven leiden. Men spreekt van een Rembrandt terwijl men een werk van de schilder Rembrandt bedoelt. Het werk van kunstenaars krijgt zo zelf een ikonische waarde. Kunstenaars worden de nieuwe ikonen van onze tijd en de waarde van hun werk wordt in grote geldbedragen uitgedrukt en op veilingen wordt een ritueel opgevoerd om kunstwerken te bemachtigen. Musea voor moderne kunst doen alle moeite om voorop te lopen en binnen de wereld van de kunst wordt moderne kunst de voornaamste aandachttrekker. Het verzamelen van moderne kunst zou je op de een of andere wijze ook een religieus gebeuren kunnen noemen want het is een vorm van rituele verering van de moderniteit. Het museum wordt naast het voetbalstadion plaatsvervanger van de tempel uit de oudheid en de kerken uit de geschiedenis. Brood en spelen, de fabriek, het bankgebouw en de kunsten en de sport, zij zijn de nieuwe vertaling van dit oude adagium uit de Romeinse oudheid. Concluderend kan men stellen dat pas in onze eeuw het gesprek pas goed op gang is gekomen over de vraag hoe kunst en religie zich verhouden als kunst en religie en welke plaats het kunstwerk inneemt in de religieuze dimensie van het leven. Deze vraag wil ik dan ook wat nader gaan uitwerken.
SemioseSemiose is het proces dat plaatsvindt als mensen betekenis geven aan de werkelijkheid waarin zij leven. Dat doen zij onder andere door middel van taal. De natuurlijke taal waarmee we spreken is anisomorf. Dat wil zeggen dat er geen één op één relatie bestaat tussen de betekenissen en de woorden. We weten dus niet altijd wat we zeggen en wat we bedoelen. Communiceren is daarom een moeilijk proces omdat we geen zekerheden hebben en omdat betekenissen voortdurend verschuiven. Elke betekenis kan zelf weer aanleiding zijn tot een nieuw taalspel van betekenissen. Elk teken roept nieuwe betekenissen op. Dit proces noemen we semiose. Semiose is dus het proces van de interpretatie van tekens. Het begrip komt uit de semiotiek, de leer die de tekens bestudeert. Semiose is een begrip dat door Ch.S. Peirce beschreven is. Hij is een van de grondleggers van de semiotiek. Inmiddels is de semiotiek een wetenschap geworden die op veel terreinen wordt toegepast. Niet alleen de taalwetenschap maar ook de kunstwetenschappen maken dankbaar gebruik van de inzichten van Peirce. In deze bijdrage beperk ik mij tot het begrip semiose omdat een verdere uitwijding over de semiotiek en haar onderscheidingen buiten het kader van dit artikel valt. Met het begrip semiose hebben wij een begrip in handen waarmee we de activiteit van het betekenis geven aan de werkelijkheid binnen kunst en religie kunnen analyseren en waarderen. Semiose
wil zeggen dat het proces van betekenisgeven nooit af is. Semiose is een
voortgaand proces dat voortbouwt op de betekenissen die reeds gegeven zijn.
Individuele creativiteit, de culturele context, sociale condities en afspraken
hebben allemaal hun invloed op dit proces. De
vergelijking bijvoorbeeld tussen de toepassing van klanken in het vormen van
woorden in de westerse talen en het Chinees maakt al heel snel duidelijk welk
een wereld van verschil er schuilt tussen de westerse manier om de werkelijkheid
benoemen via taal en de Chinese manier. Om een Chinese krant te kunnen lezen
moet je je talloze karakters eigen maken. Om een gesprek te kunnen voeren in het
Chinees (in een van de vele Chinese talen en dialecten) moet je op de hoogte
zijn van de typische klanken die bij een woord horen en de context waarin het
woord gebruikt wordt om te weten of het gebeuren zich in het hier en nu afspeelt
of niet, wie bedoeld wordt, of het enkel- of meervoud is, man of v Semiose
in het Chinees volgt andere lijnen van betekenisgeving dan in een westerse taal
omdat het gebruik van een alfabet al een levensgroot verschil uitmaakt. Maar ook
in het Chinees is semiose een voortdurend proces dat betekenissen op
betekenissen stapelt. Ik heb het voorbeeld van het Chinees uitgekozen omdat het
ook visueel goed zichtbaar maakt hoe semiose kan werken. Het Chinees plaatst een
aantal tekens achter elkaar om een stukje werkelijkheid te beschrijven. Het
teken man, het teken zon, het teken boom vormen samen een beschrijving van een
situatie. De betekenis die je hieruit kan afleiden is in principe oneindig. Het
kan werkelijk letterlijk van alles zijn. In onze taal is dit misschien in vergelijk met het Chinees minder evident omdat wij onze begrippen (zelfstandige naamwoorden) meer opsluiten in zinsconstructies en daarbij gebruik maken van werkwoorden, vervoegingen en hulpwoorden zoals persoonlijke voornaamwoorden, lidwoorden etc. Maar alleen al het voorbeeld van de poëzie maakt zichtbaar dat betekenissen niet vastliggen en dat ook in onze taal betekenis op betekenis gestapeld kan worden.
Kunst en religieKunst en religie zijn beiden een wijze van betekenis geven (semiose). Beiden zijn daarin niet uniform. Heel globaal kun je stellen dat de betekenis in religie betrekking heeft op de relatie immanent – transcendent. In de kunst gaat het vooral over de betekenis van de eigen existentie waarvan het religieuze een onderdeel kan zijn. Was vroeger ‘kunst’, het werk van de ‘kunstenaar’, een onderdeel van een religieuze betrokkenheid op de werkelijkheid, het religieuze werd kunstzinnig verbeeld, tegenwoordig is omgekeerd het religieuze eerder een onderdeel van het kunstwerk, het kunstwerk besteedt aandacht aan de religieuze dimensie van het bestaan. In die zin heeft zich een betekenisverschuiving voltrokken tussen kunst en religie. Iets wat heden ten dage eigenlijk pas goed zichtbaar is. Toch is deze verschuiving niet de kern waar het om draait. Het is eerder een effect van de moderne tijd waarin kunst een plaats opeist voor zichzelf en waarin de concrete vormgeving van de religie (via de godsdiensten) een minder overheersende positie inneemt in onze maatschappij in vergelijking bijvoorbeeld met de middeleeuwen. De relatie tussen kunst en religie kan omschreven worden als een vruchtbare spanningsverhouding. Vullen we dit concreet in dan betekent dit dat er kunstenaars zijn die een religieus interesse hebben en die dat ook verbeelden in hun werk. Omgekeerd zijn er mensen die religieus zijn en die oog hebben voor kunst als middel om ook de religieuze dimensie van het leven te duiden. Voor deze laatste groep is de plaats van het kunstwerk in de religieuze dimensie van het leven een vanzelfsprekende zaak. Maar hoe komt de religieuze dimensie, die we omschreven hebben als de relatie tussen immanent en transcendent dan ter sprake in de kunst, de verbeelding en verwoording van de betekenis van de eigen existentie? Welke thema’s spelen in de kunst een rol als het gaat om religie? En welke vormen van kunst lenen zich bij uitstek om het religieuze te verbeelden en tot uitvoer te brengen? In principe kan elk teken, elke vorm, elke inhoud een religieuze lading krijgen. En elke vorm van kunst kan ook ingezet worden om het religieuze ter sprake te brengen. Denk aan dans, muziek, theater, literatuur, schilderkunst, het zijn even zovele mogelijkheden om de religieuze dimensie van het bestaan zichtbaar te maken.
|
|
|
|