|
|
|
| Oudere teksten
NAAR
EEN ICONOLOGIE IN DE SCHILDERKUNST.
De
morfologie van ons bewustzijn Ons
bewustzijn bezit een bepaalde vorm die niet in een -heldere structuur is
zichtbaar te maken zoals bijvoorbeeld de foto van een gebouw. Als wij over ons
bewustzijn spreken zijn wij er ons meestal nauwelijks van bewust dat wij het
over een metafoor hebben, een beeld waarmee wij een werkelijkheid aanduiden,
maar dat niet 100% aangeeft hoe die werkelijkheid is. Als
wij het woord bewustzijn in de mond nemen dan kan dit slechts bij de gratie van
dit bewustzijn zelf (wat dit dan ook in eerste instantie mag zijn). Vanuit ons
bewustzijn van ons bewustzijn kunnen wij slechts bij benadering omschrijven en
zeggen wat nu eigenlijk bewustzijn, meer exact ons bewustzijn, is. Bij
benadering kunnen wij spreken over bewustzijnsvormen, en daarmee bedoelen wij
dat er verschillende wijzen zijn waarop bewustzijn plaats kan vinden en als wij
over bewustzijnsgraden spreken geven wij hiermee aan dat er sprake is van een
verschillende mate in intentie waardoor dit bewustzijn geleid of gestuurd of
voortgedreven wordt. In abstracta denken wij zelf dat het mogelijk is om over
een bewustzijnsstructuur te spreken en hiermee bedoelen wij dat het bewustzijn
als vorm met een bepaalde graad van bewustzijn (intentie) afhankelijk is van de
structuur die als het ware het raamwerk en de inhoud van dit bewustzijn bepaalt.
Wij kennen elke vorm van bewustzijn een bepaalde structuur toe om de eenvoudige
reden dat deze structuur de voorwaarde en de enige mogelijkheidsvorm is van het
bewustzijn. Bewustzijn is er bij de gratie van een structurele ordening. Bewustzijn
zonder structuur is in onze ogen een onmogelijkheid want bewustzijn veronderstelt meteen een bewustzijn van ‘iets', en bewust zijn van
'iets’ vindt op een bepaalde wijze plaats -een geordende wijze die onderscheid
maakt tussen het 'iets' en het bewustzijn van dat 'iets'. Kunnen
wij stellen dat bewustzijn meteen zelfbewustzijn is? Voor de mens geldt dit
zeker ook al wordt het zelfbewustzijn impliciet ervaren en kan het gebeuren dat
de explicitering van het zelfbewustzijn via taal en gevoelens laat op gang komt.
De structuur van het bewustzijn zouden wij hier de “morphè” van het
bewustzijn willen noemen en de leer van de vormen van het bewustzijn houdt zich
dus voornamelijk met bewustzijnsstructuren bezig, d.w.z. raamwerken en inhouden.
Want in ons theoretisch construct dat wij hier ontwikkelen gaan wij ervan uit dat raamwerken en
inhouden elkaar beïnvloeden waardoor zowel inhoudsveranderingen en
raamwerkveranderingen kunnen optreden met alle gevolgen die dit kan hebben voor
een derde factor in deze relaties de perceptie van de ‘werkelijkheid' en ons
concept van die 'werkelijkheid' (meervoud eigenlijk concepten). Bewustzijnsstructuren De
werkelijkheid voor het bewustzijn is altijd de werkelijkheid voor dit
bewustzijn. Het bewustzijn is zich bewust van zijn werkelijkheid die voor hem
ligt. Zij ligt eigenlijk niet, zij is, en het feit dat het bewustzijn bewust is
impliceert tevens een zelfbewustzijn van die act. Wij veronderstellen dat het
bewustzijn in de mens, van de mens, een typische 'menselijke' wijze kent, heeft
om met de dingen, mensen, wereld, kortom de
werkelijkheid die op dit moment van belang is (het hier en nu, wat
verleden en toekomst niet hoeft uit te sluiten) om te gaan, nl. in de gradaties
van direct contact: schokkend zodat de werkelijkheid het bewustzijn overdondert
tot aan de situatie waarin het bewustzijn van de mens de werkelijkheid buiten
die mens links laat liggen, d.w.z. er zich niet van bewust is. Enerzijds heeft
dit te maken met de omgang met de werkelijkheid of de existentie zelf,
anderzijds heeft de structuur van ons bewustzijn hier een hoofdrol. Bewustzijn
is door de aard van haar structuur, die uit wisselende raamwerken en inhouden
bestaat, bij voorbaat een mediale kracht die medium is voor de werkelijkheid van
het lichaam (lichamelijk functioneren waaraan het bewustzijn niet los te
onderscheiden valt) en de werkelijkheid van alles buiten dit lichaam. Ons
bewustzijn bezit de sleutel (metaforisch) die op alle sloten van de
werkelijkheid past het is zelf die sleutel en het opent alle mogelijke toegangen
tot die werkelijkheid of de werkelijkheden, (want er zijn er natuurlijk meer dan
een). Echter
ons bewustzijn beschermt ons ook voor een teveel aan bewustzijn, d.w.z. het
doseert de werkelijkheid, zodat zij ons niet en daarmee ons bewustzijn
overrompelt en lam legt. Het is nu dat deze dosering hoogstwaarschijnlijk
niet-bewust plaats vindt. Zij vindt automatisch plaats zodat wij er zelfs geen
erg in hebben, nl. door perceptieve selectie. Perceptieve selectie is enerzijds
inherent aan onze constitutie: wij kunnen gewoon niet alles zien - waarnemen om
ons heen (tenminste niet tegelijk - onze zintuigen zouden doordraaien);
anderzijds willen wij ook niet alles zien en selecteren wij uit wat voor ons van
belang schijnt. Dit kan bewust plaatsvinden, maar grotendeels is dit een zaak
die niet aan de oppervlakte van ons bewustzijn komt. De inhouden van ons
bewustzijn zijn daarom dan ook vaag en wij worden door de aspectuele zijde van
de dingen in beslag genomen of anders gezegd bepaald door het perspectief
waarmee wij waarnemen en de horizon waarin wij staan. Nog vager zijn de
raamwerken waarbinnen de bewustzijnsinhouden een plaats' vinden. Geen enkele
inhoud kan zonder een raamwerk waarbinnen deze past. Als
het bewustzijn een bewustzijnsstructuur is of geheel van structuren dan betekent
dit dat er niets buiten die structuren is - geen ziel of ander medium of wezen
dat het bewustzijn zou overstijgen. Het bewustzijn is structuur en zonder
structuur geen bewustzijn. Bewustzijn van het niets in een niets, d.w.z. bij
aanwezigheid van elke vorm van inhoud en van raamwerk bestaat niet. Elk beeld,
elk woord, elke gedachte, elke bevestiging en ontkenning leeft bij de gratie van
het bewustzijn maar het bewustzijn bestaat pas door deze beelden, woorden en
gedachten. Bewustzijnsstructuren
kunnen samenvallen met hun inhouden/raamwerken en die noemen wij dan concepten
of cognitieve kaarten - waarden maar het bewustzijn gaat er niet in op. In
plaats van cognitieve structuren die cognitie
regelen en hun inhoud, kunnen
wij ook spreken van iconische modellen. Iconische modellen zijn invullingen van
de werkelijkheid in ons bewustzijn: zij bestaan uit een raamwerk met inhoud en
zij zijn aan verandering onderhevig, hoewel wij in ons dagelijks handelen ervan
uitgaan dat deze modellen tot ons vaste arsenaal van kennis (en waarheid)
behoren en vlij richten ons leven in aan de hand van dergelijke (ontelbare)
modellen. Om
iets naders te weten te komen over deze iconische modellen die van groot belang
zijn in onze perceptie omdat zij de wereld ordenen, of geordend hebben
(expliciet en impliciet - bewust en niet bewust) stellen wij voor te komen tot
de ontwikkeling van een iconologie. Wij zijn ons ervan bewust dat wij hiermee de
term 'icon' zoals Ch. S. Peirce deze heeft ontworpen in een linguïstiek,
annexeren voor een ander veld van toepassing. Bij Peirce heeft het begrip 'icon'
al een bredere toepassing dan alleen maar een woord. Ook beelden, diagrammen en
foto's hebben een iconische functie, d.w.z. -er bestaat een associatiesamenhang
(op basis van similariteit) tussen het voorgestelde in het woord en het ding in
de werkelijkheid. Maar
los hiervan voelen wij ons gerechtigd om het begrip' icon' in de samenstelling
'iconisch' en 'iconologisch' een eigen invulling te geven die met name nadruk
legt op het structurele aspect van het bewustzijn. In
het nu volgende zullen wij dan ook een poging ondernemen om tot een uitwerking
van een dergelijke 'iconologie' te komen. Later zullen wij zien dat dit ook van
belang kan zijn voor een andere kijk op schilderkunst en de andere beeldende
kunsten. Iconologie De
mate waarin het abstracte begrip iconologie concreet kan worden voorgesteld is
afhankelijk van het metaforisch potentiaal van dit begrip of anders van de wijze
waarop dit begrip 'iets' bij ons kan los maken waardoor wij kunnen zeggen
"warempel, zo heb ik het nog niet bekeken, maar dit bezit ook een hoge
graad van waarschijnlijkheid". In de filosofie wordt dit een
"Aha-Erlebnis" genoemd. Als metafoor (en elke metafoor bezit die
eigenschap) heeft het begrip iets verleidend en dwingt het je als het ware in
een bepaalde blikrichting te kijken, een bepaalde voorstelling (net als in de
bioscoop) te zien. En om een andere metafoor te gebruiken, misschien is in het
begin het beeld vaag en verward, maar hoe langer men daar in die donkere ruimte
zit, hoe meer men herkent en hoe meer contouren het beeld begint te krijgen. Het
krijgen van contouren zou men ook het langzaam inpassen in een eigen kader
kunnen noemen. Door
deze inpassing wordt datgene wat wij leren onderscheiden en zelfs pas zien
geordend op een wijze die ons vertrouwen in de omgang met de werkelijkheid niet
aantast, ook al bestond er bij de eerste gewaarwording een lichte onzekerheid
omdat de beelden in geen enkel kader leken te passen. Door
de opname van de beelden groeit ook het kader mee. Dit laatste zouden wij een
voortdurende wisselwerking willen noemen en zij is relatief. Alleen hebben wij
mensen de neiging om alle relatieve kaders in wisselwerking met hun inhoud te
verwarren met de 'waarheid', waaraan wij onze dagelijkse zekerheid menen te
moeten ontlenen. Het
meest frappante in een leer over iconische modellen is het feit dat iconische
modellen kenmerken bezitten die hen boven bijvoorbeeld cognitieve modellen doet
uitstijgen: De termen zijn verwisselbaar tot op een zekere hoogte, maar het
begrip 'iconisch' bevat een eigenschap die niet in het begrip cognitief ter
sprake komt. En deze eigenschap bestaat in het feit dat een iconisch model tot
stand komt, letterlijk ontstaat door een “Aha-Erlebnis" waardoor een
nieuwe samenhang en structuur zichtbaar wordt die voor de beschouwer een nieuwe
en waardevolle verklaringswaarde heeft voor datgene wat hij ziet. Het iconisch
model lost oude modellen met minder verklaringswaarde
af omdat het hen bij voorbaat achterhaald doet schijnen. In die zin valt het
iconisch model te vergelijken met het ontstaan van een nieuw paradigma in de
wetenschap. Precies dit 'nieuwe' aan het model, de hoop die het mee draagt dat
het meer verklaart dan de oude modellen en het inzicht dat het op een andere en
dus 'nieuwe' (tot nu toe onbekende) wijze laat zien hoe de dingen in de
werkelijkheid 'schijnen' maakt het tot een model dat het begrip cognitie
overstijgt. Misschien zou je zelfs dit mogen stellen, dat er pas cognitie plaats
kan vinden als er iconische modellen zijn waarbinnen die cognitie een plaats
vindt - als onderdeel ervan - als instrument in de waarneming en kennisopname. Daarmee
is het bijzondere karakter van iconische modellen nog niet volledig besproken.
Want wij moeten ons hier afvragen hoe het komt dat de mens oude 'iconische'
modellen vervangen kan door 'nieuwere', of anders hoe vervanging van modellen
sowieso mogelijk is. De connotaties oud en nieuw hebben hier eigenlijk niet veel
waarde omdat ze nauwelijks iets onthullen van de wijze waarop iconische modellen
werken en aangevuld – aangepast - vervangen kunnen worden. Wat
wij op deze pagina uitvoeren is een 'stoeien' met een nieuw begrip en in dit
spelen ermee tasten wij de grenzen ervan af, schrijven wij het een
verklaringswaarde toe en verwachten wij dat het verklaringen biedt over het
functioneren van onze bewustzijnsstructuur. Het ontwerpen en uitdiepen van het
begrip 'iconisch' om het besef, dat wij hebben van hoe ons bewustzijn
functioneert, uit te werken in een begrippenkader is op zichzelf een 'iconische'
werkzaamheid. Hier geldt dezelfde spiraal als bij de formulering bewustzijn van
het bewustzijn. Spiraal is hier een metafoor (eigenlijk ook een iconisch model
als je de historie en associatiesamenhang met b.v. ontstaan leven via
DNA-ketens, spiraalstructuren sterrenstelsels enz. erbij haalt en doet vermoeden
dat spiralen een verklarende, zo niet beeldende functie hebben in de
beschrijving van de werkelijkheid), maar hij geeft hier goed aan dat wij in een
kringetje draaien waaruit geen ontkomen is: wij kunnen niet buiten onszelf gaan
staan -dat punt is er niet zonder dat er sprake is van een bepaald bewustzijn
dat ons dan weer meteen in het middelpunt van de spiraal doet belanden. Om
de boven gestelde vraag te beantwoorden: worden iconische modellen door andere
vervangen omdat deze laatste meer verklaren? Dit motief kan meespelen als blijkt
dat het oude model veel vragen openlaat, maar het bewustzijn van opengelaten
vragen duidt er al op dat er een nieuw iconisch model ontstaan is dat deze
vragen als het ware veroorzaakt. Omdat
wij in ons dagelijks leven ons laten leiden door overtuigingen en meningen
(oordelen) zonder dat wij ons hiervan bewust zijn of er expliciet bij stil
staan, hebben wij ook niet in de gaten dat elk van deze meningen een iconisch
model vertegenwoordigen waarmee wij niet-bewust maar wel actief de werkelijkheid
te lijf gaan. Wij zetten de werkelijkheid voor een deel naar onze hand omdat wij
haar in onze modellen dwingen. Alles
wat niet in deze modellen past wordt terzijde geschoven met het etiket
niet-relevant / niet – van - waarde. Wij staan er meestal niet bij stil dat
onze gehanteerde modellen slechts een beperkte waarde hebben en zeer relatief
zijn. Vandaar dat het argument van vervanging van oude modellen door nieuwe die
meer zouden verklaren nauwelijks opgaat. Misschien is het zelfs wel zo dat hoe
meer bewust wij trachten de werkelijkheid in een model te persen, of anders
uitgedrukt, hoe meer wij trachten verklaringen voor bepaalde verschijnselen uit
de werkelijkheid te vinden (het zijn verschijnselen - zij verschijnen en
bezitten in hun verschijning een eigen vaak onverklaarbare en niet direct
achterhaalbare evidentie) hoe meer ons bewust wordt hoe complex de werkelijkheid
is en hoe minder het ons lukt om passende en sluitende verklaringen (en
modellen) te ontwerpen. Een speciaal punt van aandacht in dit licht zijn
uitvindingen: men vindt meestal niet iets uit door combinatie van factoren en
logische ordening ervan, maar meestal gaat er zoiets als een bepaalde inspiratie
(spiritus - geest) aan vooraf en
komt het idee, of de oplossing in een flits. Let hier op het woordgebruik: de
blikseminslag verlicht en er ontstaat een kort en helder moment waarin zich de
contouren van de oplossing of uitvinding aftekenen. Wat doet de wetenschapper of
kunstenaar dan? Hij tekent de contouren na van wat hij kortstondig waarnam. Het
in een flits. Waarnemen is eigenlijk een functie die aan het ‘iconische omgaan
met de werkelijkheid' toekomt. Enerzijds is deze werkelijkheid voor ons
bewustzijn opgeslagen in iconische modellen (die wij dan ook star en eenzijdig
zouden kunnen interpreteren)in een soort archief dat wij het geheugen kunnen
noemen, anderzijds zijn het net de iconische modellen waar wij geen vat op
hebben en die 'als vanzelf' ons andere aspecten van de werkelijkheid laten zien.
Het is maar net afhankelijk van de starheid of 'domheid' van ons denken en ons
zelfbewustzijn dat eigenwaan en 'grootheidswaan' voorop plaatst boven de
onzekerheid van een relatief staan in de werkelijkheid, zonder enkele zekerheid,
of wij in staat zijn onze eigen grenzen te transcenderen. Wij hebben de
mogelijkheid via ons bewustzijn: het is de sleutel voor alle vormen van
werkelijkheid, maar wij kunnen ons ook iets laten wijsmaken:
de misleiding van de 'eeuwige geborgenheid', de paradijstuin, de
ongereptheid, onaangeraakt zijn door de vinger van de werkelijkheid, de eeuwige
slaap zonder droom, de volkomen rust van het niets, etc. kortom de ontkenning
van de relatieve spanningsverhouding waarin wij ons bevinden en het leven, ons
leven, als het doorleven van die spanning. In
principe is voor de mens elke kennis bereikbaar en in potentie aanwezig. In
principe is er niets nieuws onder de zon, maar zijn de combinatiemogelijkheden
zo uitgebreid als de kosmos. Het
totalitaire karakter van het iconisch model Iconische
modellen zijn totalitair (een metafoor) omdat zij onze hele werkelijkheid
bepalen: elk gevoel, elke opvatting, elke wijze van zijn via de weg van ons
bewustzijn, elke gedachte, elke zekerheid en onzekerheid. Waarom
is dit een metafoor? Op de eerste plaats lenen wij het begrip 'totaal' uit de
filosofie van Hegel waar de ‘Absolute Geest' de hele werkelijkheid doortrekt
en dit beeld (wat ook weer een metafoor is) benutten wij om de positie van het
iconisch model te beschrijven in ons bewustzijn. Maar op de tweede plaats kunnen
wij slechts vermoeden dat er hier sprake is van een 'totalitair' karakter.
Bewijzen kunnen wij het niet, hoogstens aannemen. Wij verkeren nl. niet in de
positie om het al dan niet totalitaire karakter van het iconisch model voor het
geheel van het menselijk bewustzijn te overzien en te waarderen. Daarvoor is ook
ons bewustzijn te beperkt. Maar om het belang van het ‘iconisch model' te
onderstrepen willen wij een frontale aanval uitvoeren, doorstoten naar een
definitievere omschrijving van de werkelijkheid van ons bewustzijn, door het
begrip 'totalitair karakter’ te gebruiken. Totalitair
mag niet worden verward met afgesloten en star. Totalitair wil enkel zeggen: op
alles, maar dan ook alles betrekking hebbend wat het menselijke bewustzijn
aangaat. Wij hebben al eerder gesteld dat volgens ons de bewustzijnsstructuur
overeenkomt met vorm en inhoud. Elke vorm en elke inhoud ( in wisselwerking) of
elke invulling, elk iconisch model ( wat een abstractie is en waarin afgezien
wordt van de vertaktheid en het grote aantal verschillende gestalten die dit
model tegelijk kan aannemen) is verwikkeld in een dynamiek, een beweging, die
eens in gang is gezet (hoe dat weten wij niet) en waarvan het einde niet
zichtbaar is (vanuit ons standpunt). Wij zijn ervan overtuigd dat het bewustzijn
niet onder het feit uit kan dat het bestaat uit iconische modellen waarin zoveel
ruimte is voor nieuwe kaders en nieuwe invullingen, als wel beschouwd kan worden
als een geheel van vaststaande gegevens waar wij in ons dagelijks leven
opbouwen. Bij dit laatste komt het er niet op aan dat wij kunnen bewijzen dat
iets zo en zo is, (want dat kunnen wij niet) maar het komt erop aan dat wij
vertrouwen hebben, nl. dat de werkelijkheid is zoals wij haar waarnemen.
En wij nemen haar slechts waar via iconische modellen: ziehier weer het
totalitaire karakter van deze modellen. Is het feit dat wij vertrouwen hebben
ook het gevolg van een iconisch model? Of is er een model voor aan te wijzen dat
verantwoordelijk is? Waarschijnlijk
is het zo dat er niet expliciet een model is aan te wijzen, maar dat mensen wel
ervaringen hebben waaruit blijkt dat bepaalde handelingen, gedachten en
houdingen een stuk vertrouwen en zekerheid Opleveren.
Een
ander argument om te spreken van een iconisch model van vertrouwen is het feit
dat dit model verstoord kan worden: de mens kan zijn vertrouwen in zichzelf, in
de werkelijkheid om hem heen verliezen. Dit vindt plaats in situaties waarin
mensen andere mensen manipuleren opdat zij elke vorm van vertrouwen verliezen:
martelen bijvoorbeeld en het toevoegen van groot leed. De mens die zijn
vertrouwen verloren heeft gaat dan ook dood"want zonder vertrouwen is geen
(menselijk - humaan) leven meer mogelijk en is de waanzin vaak de enige
oplossing. In
het iconisch model van het vertrouwen in de werkelijkheid komt des te meer het
totalitaire karakter van de ‘iconiciteit’ van ons bewustzijn naar voren. Het
vertrouwen kan niet fragmentarisch zijn: het is totaal of het is er niet (meer)
Natuurlijk is er plaats voor twijfel (twijfel is ook een iconisch model) maar
twijfel betekent niet het tegengestelde van vertrouwen in de ons omringende
werkelijkheid. Iemand die zijn vertrouwen in de werkelijkheid verliest
maakt niet een periode van twijfel door om dan te eindigen bij het verlies van
alle vertrouwen. Geen vertrouwen hebben wil zeggen het vertrouwen verloren
hebben door een schok -door een plotselinge (kortstondige of langdurige) periode
die alle zekerheid en vertrouwen in een klap vernietigt. Dit kan alleen maar
plaatsvinden omdat de inhoud van het iconisch model vertrouwen beperkt is en
relatief is. De inhoud is bijvoorbeeld opgehangen aan ervaringen met mensen die
het goed met je voor hebben en tijdens de schokperiode blijkt dat er mensen zijn
(en op dat moment zijn dit alle mensen - er vindt een generalisatie plaats -een
veralgemenisering (weer een bewijs voor het totalitaire karakter) die van
'uitzonderingen' algemene wetmatigheden maakt omdat de ervaring zo hevig is dat
zij met geen middel valt te relativeren) die dit beeld van vertrouwen wat je
hebt opgebouwd tot op de bodem toe afbreken en vervangen door angst. Angst en
onzekerheid, het verlies van de wortels waardoor je dacht dat je gedragen werd.
En het verlies van het vertrouwen impliceert meteen een zinverlies. Een
relativering van de inhoud van het iconisch vertrouwensmodel bijvoorbeeld door
in te calculeren dat er zowel situaties zijn van 'absoluut' vertrouwen en
'absoluut' wantrouwen of teleurgesteld worden in dit vertrouwen of een hemel en
een echte hel op aarde, zou de mogelijkheid kunnen verkleinen dat mensen hun
vertrouwen definitief kwijt raken en daardoor niet meer kunnen en willen leven.
Het is echter de vraag of de mens dit in de hand kan houden en of hij dit in de
hand heeft. Vast staat wel dat; mensen erin slagen om andere mensen hun
volledige vertrouwen in de medemens te la ten verliezen. Of
met andere woorden: zij slagen erin het iconisch model van vertrouwen tot op de
grond toe af te breken, d.w.z. zij vernietigen de inhoud op een zodanige wijze
dat het lijkt/schijnt (en op dat moment is dat voor de betrokkene ook zo) of er
nooit meer zoiets als vertrouwen in de medemens kan bestaan, want dat wat er
gebeurt is wel zo een sterk argument tegen het vertrouwen dat niemand dit kan
weerstaan. Waarschijnlijk zal de teleurstelling, de ervaring dat er zoiets
mogelijk is, het niet ermee rekening hebben gehouden dat het bestaat, een sterke
rol spelen in dit proces. Dit heeft natuurlijk ook hiermee te maken dat wij
nogal sterk geneigd zijn individueel en collectief onze ogen te sluiten voor de
ellende van mensen om ons heen. De concrete hel waarin mensen kunnen verkeren
willen wij niet zien - wij houden
ons liever in onze eigen 'hemel’ op. Enerzijds beschermt ons bewustzijn ons
voor dergelijke ervaringen (en daar zijn wij heel goed in -versluiering -niet
willen weten - zien) maar anderzijds bezitten deze ervaringen een
realiteitswaarde, zij zijn zo werkelijk, dat wij hen eigenlijk niet (zouden)
kunnen verdringen, en het is helemaal afhankelijk van de inhoud van onze
iconische modellen of er plaats is voor deze ervaringen in ons bewustzijn. De
begeerte achter het model Het
zal inmiddels duidelijk zijn geworden dat iconische modellen gemotiveerd zijn en
worden. Op de een of andere wijze is er sprake van een behoefte, een begeerte
waardoor er inhouden belangrijk worden. Het spreken over begeerte onder het
model is zelf weer een iconisch model. Maar dit kan ons er niet van weerhouden
toch een aantal zaken op een rij te zetten. In de psychologie wordt gesproken
over het feit dat het vertrouwen van het individu van wezensbelang is voor zijn
staan in de wereld. De
behoefte hebben aan vertrouwen zou een soort begeerte kunnen zijn maar dat
verklaart nog niet de aard van de begeerte. Waarom zou er zoiets als een
begeerte zijn, en vervolgens waarom zou er een bepaalde begeerte schuilen onder
het model en bij de instandhouding van het model of de verandering ervan? Of is
er een principe te bedenken dat een
afdoende verklaring biedt voor de begeerte? In de filosofie wordt gesproken over
het onderscheid tussen een egocentrische begeerte en de begeerte naar de ander,
een centripetale en een centrifugale begeerte. Dit zegt echter slechts iets over
de richting, nog niets over inhoud en het waarom. Begeerte kan ontstaan uit het
besef van een tekort, om dan vervolgens dit tekort te willen opheffen. De
ervaring van een tekort ontstaat echter pas door vergelijking en het in het
vizier hebben van een situatie die duidelijk als een teveel tegenover een tekort
wordt ervaren. Zou het iconisch model 'hoeveelheid', 'kwantiteit' en het model
'kwaliteit' (wat dit dan ook moge zijn) licht in de zaak brengen? Een
verandering van hoeveelheid hoeft op zich geen bevrediging in te houden als met
die bevrediging geen kwalitatieve omslag wordt bedoeld en ervaren. Kwantiteit
die niet op de een of andere manier als kwaliteit wordt ervaren speelt in de
begeerte geen rol van betekenis. Pas als er een waarde aan kwantiteit gehecht
wordt, die dan kwantiteit transcendeert, speelt ze een rol van betekenis in het
menselijk handelen. De
ervaring van een tekort heeft dan waarschijnlijk in eerste instantie geen
betrekking op een hoeveelheid maar op een kwalitatief ervaren tekort, een gemis.
Wat wordt er gemist, wat kan er gemist worden? Zekerheid? Waarborgen voor geluk
en zin? Zinvolheid? Geborgenheid? Het paradijs? Overvloed en gelukzaligheid? Een
oersituatie waarin voor alles gezorgd wordt?
Een totale verzorging? Ik geloof dat wij het niet in deze richting moeten
zoeken: wel een streven naar een 'bepaalde zekerheid’, en' zinvolheid' maar
niet een statische toestand van volledige passiviteit - verzorgd worden. Zonder
uitdaging verkommert de geest - sterft ons bewustzijn af. Begeerte en uitdaging
hangen samen, verlangen om grenzen te overstijgen, het 'nieuwe' te ontdekken,
deel te nemen aan iets buiten je, nieuwe werkelijkheden te ontdekken omdat wij
ergens een idee hebben dat ze er zijn. Ze zijn denkbaar waarom dan ook niet
leefbaar, beleefbaar? Is het zo dat wij een immanente verklaring moeten zoeken
voor de begeerte, of is haar kern transcendent? Wordt zij van elders uitgevoerd,
gedragen, ingevuld, verwerkelijkt? Moeten wij de factor God inbrengen om de
begeerte te verklaren: en welke rol speelt die God dan? Ik vermoed dat de
menselijke begeerte puur menselijk is en geen goddelijke oorsprong heeft. Dat
laatste zou trouwens een vermindering van de menselijke verantwoordelijkheid
betekenen, een niet serieus nemen van deze verantwoordelijkheid. Misschien
moeten wij wel stellen dat de begeerte er is, net zoals het bewustzijn er is.
Wij kunnen slechts vanuit dit iconisch model bewustzijn, begeerte, over
hetzelfde praten. Maar een exacte invulling en een waarom zijn vanuit deze
positie niet te beantwoorden. Natuurlijk zijn in de geschiedenis diverse
antwoorden gegeven maar het is hier niet de plaats om deze antwoorden te
onderzoeken. In dit stadium leggen wij ons neer bij het feit dat het waarom van
de begeerte een waarom zal blijven. Wij constateren alleen dat er zoiets als een
begeerte 'bestaat. In het totalitaire karakter van het model drukt zich ook een
begeerté uit, de begeerte om totaal te zijn. En door die begeerte is het
misschien zo dat die totaliteit. Daadwerkelijk bereikt wordt. De
kunst en het iconisch model. Een
kunstvoorwerp is eigenlijk een replica van een iconisch model. Het kan zelfs
meerdere modellen verwoorden – bevatten. In het hoofd, bewustzijn, buik, van
de kunstenaar ontstaat het object: zijn handen voeren het dan uit (aarzelend -of
met krachtige zekere grepen). Zijn handen tekenen na wat in het bewustzijn
(expliciet -impliciet) aanwezig is.
In het product komt zowel iets van de beleving van de werkelijkheid naar voren
zoals deze door alle mensen ervaren wordt via de bekende kanalen, als wel duiken
er nieuwe gezichtspunten, houdingen -t.a.v. de omgang met de werkelijkheid en de
werkelijkheid zelf op. De
mate van herkenning bij de toeschouwer van het product is afhankelijk van zijn
iconische modellen en de bereidheid deze modellen niet star te hanteren, maar ze
uit zichzelf te laten spreken – leven – werken - veranderen. Zich
overgeven aan het kunstwerk. Het kunstwerk laten zijn en spreken zonder
commentaar. Goede kunstwerken vervullen deze taak, zij spreken uit zichzelf en
in hun ‘iconiciteit’ transcenderen zij de tot nu toe bekende iconische
modellen van de werkelijkheid. In
feite is elk product van menselijk handelen een iconisch model en de neerslag
van iconische modellen, alleen is het de gewenning en vanzelfsprekendheid ervan
die ons niet aanzet tot het stellen van vragen en tot het uiten van
verwondering. De verwondering laten inkapselen door het leven en de zorgen van
alledag is een vorm van starheid en bekrompenheid. De kunstenaar heeft hier een taak om de verwondering uit die
inkapseling los te maken. Hij kan dit doen door het product op een andere en
'nieuwe’ wijze te presenteren zodat het shockeert of verwondering oproept. FOTAGES. Fotage
noem ik hier het werk waarin gebruik wordt gemaakt van foto’s binnen het kader
van een compositie, op papier of anders, als onderdeel van een collage of
schilderij. De fotage plaatst de oorspronkelijke afbeelding in een nieuwe
context. Fotages zouden in dit proces zoals boven beschreven een bijzondere
plaats kunnen innemen omdat zij als geen ander de toeschouwer ervan bewust maken
dat zijn werkelijkheidsverstaan plaatsvindt en verwoord wordt via iconische
modellen. Een fotage is zelf zulk model, maar door het gebruik van foto’s (die
afbeeldingen – verbeeldingen – modellen - ‘icons’ zijn van de
werkelijkheid) en de herschikking van beeldelementen, de toepassing van patronen
en kleuren, en de gehele presentatie als 'kunstobject’ met een ‘doel’, een
'bedoeling’ een ‘intentie’ van de kunstenaar, kan de fotage iets bij de
toeschouwer losmaken waardoor deze zijn eigen iconische modellen leert ervaren.
Zo gauw de toeschouwer door heeft dat er andere mogelijkheden zijn om naar de
werkelijkheid te kijken via het hulpmiddel van de kunst en het kunstobject, dan
is het doel bereikt en kan het ‘kunstwerk’ een plaats krijgen in het leven
van de toeschouwer. Deze ervaring moet hij echter eerst doormaken. Een fotage
kan hem hierbij op weg helpen. In die zin is de fotage geen doel in zichzelf
maar hulpmiddel. Anderzijds, wil de fotage werken door het iconische model van
de toeschouwer de aanzet tot verandering van werkelijkheidsbeleving aan te
reiken, dan moet de fotage een dimensie hebben die niet met een iconisch model
volledig te verklaren en te interpreteren is. En deze kwalitatieve ‘omslag’,
dit transcendente karakter van de fotage, bestaat niet uit een veelheid of
oneindigheid van interpretaties. De kwaliteit bestaat mijns inziens in een
moment van het object dat niet te interpreteren valt, een factor die geen enkele
interpretatie toelaat omdat elke interpretatie tekort schiet. Het
kunstwerk overweldigt. Dit laatste vormt natuurlijk de grootste uitdaging voor
de kunstenaar: hier is geen sprake meer van manipulatie. Elke manipulatie of het
bewust proberen te bereiken van dit effect valt door de mand, Gekunsteldheid
i.p.v.'natuurlijke vanzelfsprekende schoonheid, immanentie i.p.v.
transcendentie. Hoe slaagt de kunstenaar erin om deze transcendentie in zijn
werk te bereiken?
FOTAGES.
Wahrnehmung:
Wasser der Gedanken. La percepción es concepción agua de pensamientos Fotages:
opnieuw gestolde betekenis -gesmolten oude stolsels in een nieuwe betekenis.
Elke foto is een stukje werkelijkheid: de foto beeldt een stukje werkelijkheid
af en zij is zelf een stukje werkelijkheid. In de foto ligt dat stukje
werkelijkheid vast. Veranderlijk is slechts de interpretatie van dat stukje
werkelijkheid, d.w.z. de betekenis die dat stukje voor ons heeft, gehad heeft of
nog kan krijgen. Tijd en betekenis gaan samen binnen een ruimte: tijdsruimte en
leefruimte, die binnen een tijdsruimte afloopt; de tijd (ruimte) is voor ons
denken van belang: wij denken achter elkaar; de leefruimte is voor ons leven van
belang: wij leven in een ruimte (huis, wijk, straat, stad, land, wereld,
kosmos), (en van moment tot moment). Een foto is een fragment dat tijd - en
leefruimte vasthoudt in een enkel beeld, in een fractie, een beperkte ruimte,
namelijk een deel van een groter ruimtegeheel. Aan elke foto kleeft een
interpretatie, d.w.z. interpretaties (want een interpretatie is de inhoud zelf
en een inhoud die uit zichzelf spreekt heeft geen interpretatie nodig). Over die
interpretaties bestaat (vaak geen)(bepaalde) consensus; over interpretaties valt
te discussiëren -er is communicatie. Door de foto op te nemen in een nieuw
verband, d.w.z. in een andere ordeningssamenhang -een andere configuratie
-ontstaat er een vervreemdende
dynamiek: de foto is losgerukt uit de interpretatiesamenhang waarin hij spontaan
was opgenomen en waarin hij spontaan werd verwerkt door de toeschouwer. De vraag
duikt op: wat moet deze foto in dit verband - wat wil zij uitdrukken - wat zegt
deze foto. Uit de vertrouwde omgeving verdwenen, de “biotoop” waarin de foto
fungeerde, krijgt deze foto iets vreemds omdat zij niet meteen inpasbaar is in
vertrouwde interpretatieketens. Precies de kleine verandering waarmee de foto
uit zijn vertrouwde context is gerukt en in een andere wordt geplaatst kan de
aanzet vormen voor een andere kijk op onze omgang met de werkelijkheid. WERKWIJZE. Door
gebruikmaking van fotomateriaal, waarbij in principe elke foto wordt benut,
wordt geprobeerd een eigentijds antwoord te formuleren op de hedendaagse cultuur
die gekarakteriseerd kan worden als een beeldcultuur: een cultuur die in haar
wezen op uitbeelding - verbeelding gericht is. Uitbeelding - verbeelding als
voornaamste cultuuruiting, of als uiting die de meeste aandacht en energie
opeist van de cultuurdeelnemers, kan worden omschreven als een beweging naar
buiten. Een veruiterlijking van waarden, idealen en doelen. Leven vindt plaats
aan de buitenkant van onze persoon, de toonbare zichtbare en veranderbare kant.
Wij maken kennis met deze zichtbare werkelijkheid door datgene wat ons ervan
getoond wordt via de media, de fotografie én datgene wat wij zelf als
werkelijkheid creëren. Onze
gedachten en onze handelingen worden bepaald en gestuurd door de beelden in ons
hoofd (concepten) -de beelden in ons hoofd leren wij kennen door ermee vertrouwd
te raken. Een cultuur die het beeld tot centrum van actie en 'contemplatie’
maakt kweekt beeldgerichte mensen. Beelden liggen veelal vast, of ontvangen een
interpretatie die min of meer met een bepaalde consensus overeenkomt: een
consensus die aan verwachtingen ontspruit -verwachtingen die door een begeerte
worden ingegeven -mogelijkheden die binnen deze consensus te verwerkelijken
zijne Daarbij wordt de afstand tussen verwachting en werkelijkheid
(bereikbaarheid) kunstmatig "gecultiveerd” en in stand
gehouden opdat de mensen nog iets te verwachten, te hopen, iets om naar
te streven, te hebben. Beelden
in de vorm van foto's zijn fragmentarische en vastgelegde 'oordelen' over de
werkelijkheid die men op een bepaald moment (plaats en tijd) had. De fotocamera
ziet anders dan het menselijke oog: bij een foto is er geen sprake van de blik
-(de motivatie-intentie achter de perceptie) -bij een foto valt er alleen licht
op een gevoelige film waardoor een afdruk ontstaat. In de menselijke waarneming
wordt de werkelijkheid in en door de waarneming geproduceerd. In elke waarneming
zijn alle waarnemingsmogelijkheden verborgen: de grondvorm van-het-in-de-wereld"
zijn, of het "ertussen” zijn (inter-esse), en het zo met de dingen omgaan
dat hun mogelijkheden naar voren komen. In het knooppunt van mogelijkheid en
onmogelijkheid leeft de mens. Aan
foto’s valt af te lezen: de inhoud van het gepresenteerde beeld én via
associaties wordt het afgebeelde opgenomen in waarnemingsketens, d.w.z. vaste
patronen, structuren die via inhoud en vorm onze waarneming méébepalen of
voorstructureren. Foto's worden gepresenteerd in een context en dienen ter
verduidelijking, ter illustratie of hebben een eigen waarde (niet functioneel)
als kunstobject. Nog los van functionaliteit, esthetica en andere gezichtspunten
ten aanzien van de foto kan worden gesteld dat een foto zowel een afdruk is van
een stuk werkelijkheid, als wel een nieuw stuk werkelijkheid verbeeldt
(afbeeldt). De foto als een van de hoogtepunten van de beeldcultuur (film als
aaneenschakeling van beelden en/of foto’s) verenigt in zichzelf de
paradox: een weergave van een stuk werkelijkheid én tegelijk het aantonen van
het vervreemdende ten aanzien van
de door ons (zelf) ervaren werkelijkheid. Het
gebruikmaken van fotomateriaal, d.w.z. alles wat een beeldgerichte cultuur ons
in handen speelt, elke foto die wij in handen krijgen, vormt onderdeel van een
zoektocht naar de verborgen betekenissen die ook in de foto, de afbeelding van
het stuk werkelijkheid, aanwezig zijn. Elke cultuur draagt zijn waarden en
inhouden uit via het medium van de taal en het beeld. In onze cultuur krijgt
(ook) het beeld extreme aandacht omdat het beeld een andere dimensie heeft dan
het woord (beeldtaal). Op dit verschil gaan wij nu niet nader in. Wij beperken
ons tot het beeld, en het beeld in de vorm van een foto. In
een foto worden betekenissen overgedragen, opgeroepen, duidelijk gemaakt en een
anticipatie vindt plaats op datgene wat als algemene consensus geldt. In een
hondenboek staan foto's over honden. Gebruik je nu die foto's over honden in een
totaal andere context dan wordt met behulp van de betekenis hond (foto van een
hond) getracht de toeschouwer gevoelig te maken voor een andere dimensie
(betekenis) van de werkelijkheid (zoals hij gewend is waar te nemen~ Waaruit
bestaat' die andere dimensie? Dat is een kwestie van associatie - elke
interpretatie voegt in feite iets toe - elke interpretatie vormt een kwalitatief
element in de omgang met de werkelijkheid: een interpretatie is een schaakpartij
-als ze lukt hebben beiden gewonnen: de zin en de mens. Het
waarnemen van en andere dimensie achter, onder, in de dingen (de dingen ervaren
zoals men ze tot nu toe nog niet gezien heeft) kan een bijdrage leveren aan een
andere mannier, een minder starre dogmatische wijze, van omgaan met de
werkelijkheid. In de (‘fototage’) fotage wordt een zoektocht ondernomen naar
andere betekenissen - betekenissen die er reeds impliciet zijn omdat in principe
de werkelijkheid oneindig is voor onze geest: elke associatie -elk verband -elke
betekenis is mogelijk. De kunstenaar neemt de toeschouwer mee op deze reis. Deze
reis kan tevens een poging zijn om de grenzen van de betekenisgeving te
verkennen: welke betekenis wordt er gegeven in de kern van onze perceptie; en
als er een kern van perceptie is zijn er ook buitenkant en randen van de
perceptie. Is de betekenis aan de randen dezelfde als in de kern: dit
intellectueel spel, deze zoektocht naar wat perceptie is, perceptie in verband
met betekenis - werkelijkheid - oneindigheid, wordt in het hergebruik van de
foto uitgedrukt.De foto in een nieuwe context opgenomen: een nieuwe betekenis
ontstaat hier. In de waarnemingsblik (actief) speelt de intentie de grootste rol
-zij draagt de waarneming (passief): een foto is eigenlijk een dode getuige: een
overblijfsel, een rest, een ding -en als ding wordt het opgenomen om doormiddel
van zijn 'dingachtigheid’, (‘dingachtigheid’ die de pretentie heeft een
beeld van de werkelijkheid –(één beeld) -te zijn voor de mens) de
mogelijkheid - onmogelijkheid van onze perceptie te verkennen. De
mens leeft binnen de mogelijkheid - onmogelijkheid van de omgang met de dingen
en ook op het niveau van het menselijk contact speelt die spanning tussen
mogelijkheid - onmogelijkheid een grote rol. De mens is ingeklemd tussen beiden
en een invulling van een"Uiterste” positie leidt onherroepelijk tot een
statische situatie - ofwel de dood. notities: Ø
perceptie
als prise en surprise. (Husserl-Schopenhauer) Ø
de entelechie achter de
perceptie. (zie Castaneda) Ø
begrijpen-bemachtigen-verstaan-waarnemen-ontvangen-kijken. Ø
De attentionaliteit en de
intentionaliteit. (Rombach) Ø
De innerlijke dialoog:
aspectiviteit-reflexiviteit-afschaduwing van de waarneming: slechts vanuit
perspectief is er waarneming mogelijk: de waarneming geeft werkelijkheid (niet
de idee erachter) ook het subject is resultaat-konstituut van de waarneming. Ø
Opnemen is productiever
als produceren. Waarnemen is slechts mogelijk in waarnemingsketens: protentionen
(verwachtingen) retentionen (herinneringen)
Gestalt-motivatie-horizontaal-vertikaal. Ø
De horizon die in
zichzelf gestructureerd is: constitutie van een waarnemingsveld: constitutieve
voorwaarden voor de “akt” van de waarneming. Waarnemingsvelden: grondvormen
van de wereldervaring. Ø
Waarnemen als produceren,
scheppen, en het gevaar van ideologisering. Waarnemingsgeloof, de autarkie van
de waarneming t.a.v. denken en voelen, geest en inzicht. Ø
Metaforisch potentiaal,
betekenisgeving, begeerte in de waarneming, voorstelling, instelling,
conventies, interpretatie. Ø
Vervorming van een
situatie: het nieuwe ontstaat vaak zo. Zin breekt af als de interpretatietrap
afbreekt; of loopt vast als interpretatietrap boven of beneden wordt afgesloten
met invulling, die geen verdere stijging of daling meer toelaat. Hoe vaster de
zin hoe moeilijker het beleven van zin wordt. Interpretatie vindt niet plaats
door mijn mening, maar door situaties. Ø
Men leeft in 'de
omstandigheden van een situatie: concentriciteit van de situatie: situaties in
situaties... Ø
Kern en randen van de
perceptie. Actief en passief. Dualismen. Paradoxen. Ø
Dynamiek, statisch,
recept, concept, percept, totalitair potentiaal: ordening,
chaos, weg, doel, oneindigheid en eindigheid. Kwalitatief verschil
(positief en negatief) Ø
Contrast-waarneming:
fotage is trucage in de werkelijkheid met elementen hieruit opdat, omdat wij
vaste betekenissen hebben gekoppeld aan elementen, deze vaste betekenissen leren
bevragen. De werkelijkheid staat namelijk niet onomstotelijk vast. Ons alledaags
bewustzijn is niet hetzelfde als werkelijkheid: toch gedragen wij ons elke dag
ernaar. Ø
Waarnemen slechts door
contrastervaring mogelijk: zonder contrast geen realiteit. Als er geen
contrasten waren geen verschillen. Alles zou hetzelfde zijn: zonder eindigheid
geen leven. Het contrast is het kenmerk van de eindigheid en omgekeerd. Zonder
dood zou er geen leven zijn!' Oneindigheid verdraagt niets naast zich, is
absoluut, is absoluut leeg en zelfs dat ook niet -oneindigheid is een functie in
de ware zin van het woord: in de beperking wordt het leven pas mogelijk
–zelfde geldt voor taal en beeld. Ø
Laat de beperking zien en
vul aan, vul in, maar probeer niet de beperking te overwinnen in een vals
streven naar oneindigheid. Zelfs de waanzin is niet oneindig -al lijkt hij wel
in de buurt te komen: kosmische waanzin (dit gaat elk begrip te boven).
(Naschrift) ·
Morfologie bewustzijn: ·
Bewustzijnsstructuur:
kader en inhoud ·
bewustzijnsvorm ·
bewustzijnsgraad ·
bewustzijn en perceptie
(v.d. werkelijkheid die altijd mijn werkelijkheid is) ·
bewustzijn en
differentiaties in betrokkenheid op werkelijkheid ·
niet-bewustzijn ·
bewustzijn als mediale
kracht/medium lichamelijkheid en werkelijkheid buiten het
lichaam ·
bewustzijn en
dosering/perspectief/horizon/spanningsverhouding/sleutelfunktie ·
cognitieve
kaarten-cognitieve waarden-conceptie(receptie) ·
iconische modellen ·
iconische modellen:
expliciet-impliciet/bewust-niet bewust ·
associatiesamenhang-similariteit
m.b.t. 'icon' ·
iconiciteit ·
iconisch -iconologisch
-iconologie ·
metaforisch potentiaal ·
paradigmatisch potentiaal ·
totalitair potentiaal ·
dynamiek van iconisch
model -vertaktheid -onderlinge samenhang ·
functie geheugen en
iconisch model ·
verdringingsmechanismen
-iconisch model van vertrouwen-angst en hun onderlinge wisselwerking en bepaling ·
begeerte achter het
iconisch model en de instandhouding ervan -motivatie model ·
centripetaal-centrifugaal
-kwalitatieve omslag ·
het kunstvoorwerp als
verwoording van iconisch model(len) ·
het transcenderende
karakter van het iconisch model en het kunstwerk ·
de verhouding
immanentie-transcendentie ·
conceptie(
concept) perceptie (percept) receptie(recept) ·
actieve-passieve
perceptie ·
waar-nemen/voor waar
nemen/Nehmen bei Etwas ·
percevoir
(per-capere) comprendre sens et expression/ la prises greep/appréhendre ·
saisir
à/aggripper/s'emparer de: bemachtigen ·
perception
als prise en als surprise ·
signification ·
perceptie vanuit een
energetisch standpunt -entelechie ·
Begeerte-passiones
animae ·
amor-odium ·
desiderium-fuga ·
deléotatio-tristitia
(concupisciblen) ·
spes-desperatio ·
audacia-timor(irasciblen) ·
Intentio
achter perceptie ·
waarnemingszin/intentie/horizon/veld/gewaarworden/denken/causaliteit ·
sensualisme en perceptie
Vgl.
H. Rombach, Phänomenologie des gegenwärtigen Bewusstseins “Das
Einfachste und Nächste ist schwer zu sehen: die Einmaligkeit, Undatiertheit und
Totalität unseres Vorhandenseins." J.Hacking
10-10-1988 Heerlen
PERCEPTIE IS CONCEPTIE “HUMAN KIND CANNOT BEAR VERY MUCH REALITY' uit
T.S. Eliot, Four Quartets, the complete poems and plays of T.S. Eliot, London
(1969) 1975,172 A.
Schopenhauer: "Die Welt ist meine Vorstellung" - dies ist eine
Wahrheit, welche in Beziehung auf jedes lebende und erkennende Wesen gilt;
wiewohl der Mensch allein sie in das reflektierte abstrakte Bewusstsein bringen
kann: und tut er dies wirklich, so ist die philosophische Besonnenheit bei ihm
eingetreten. Es wird ihm deutlich und gewiss, dass er keine Sonne kennt und
keine Erde; sondern immer nur ein Auge, das eine Sonne sieht, eine Hand, die
eine Erde fühlt; dass die Welt, welche ihn umgibt, nur als Vorstellung da ist,
d.h. durchweg nur in Beziehung auf ein anderes, das Vorstellende, welches er
selbst ist.” “Wenn
irgendeine Wahrheit a priori ausgesprochen werden kann, so ist es diese: denn
sie ist die Ausssage derjenigen Form aller möglichen und erdenklichen Erfahrung,
welche allgemeiner als alle andern, als Zeit, Raum und Kausalität ist: denn
alle diese setzen jene eben schon voraus...” “Keine
Wahrheit ist also gewisser, von allen anderen unabhängiger und eines Beweises
weniger bedürftig, als diese, dass alles, was für die Erkenntnis da ist, also
diese ganze Welt, nur Objekt in Beziehung auf das Subjekt ist, Anschauung des
Anschauenden, mit einem Wort, Vorstellung. ...Alles was irgend zur Welt gehört
und gehören kann, ist unausweichbar mit diesem Bedingtsein durch das Subjekt
behaftet, und ist nur fur das Subjekt da. Die Welt ist Vorstellung...” Wij
kunnen ons, aldus Schopenhauer, niet meer onttrekken aan deze waarheid dat de
wereld voorstelling is, doch eenzijdig en abstract, roept deze waarheid wrevel
op en kondigt reeds een diepere waarheid aan die de wereld als voorstelling
aanvult en mede bevat: "Die Welt ist mein Wille!”. De
wereld als voorstelling, alléén maar als voorstelling, en is het de moeite om
er dan bij stil blijven te staan - een voorstelling kan een idee-fixe zijn, een
droomgestalte etc. En bestaat er nog iets buiten die voorstelling,
(werkelijkheid eronder).. dus wat of welke 'werkelijkheid schuilt er achter de
voorstelling -wat is dat wat voorgesteld wordt; heeft dat existentie. Men kan
slechts,volgens Schopenhauer,tot het wezen doordringen van wat voorgesteld wordt
(van het ding -het object voor mij) als men het standpunt verlegt, namelijk door
niet uit te gaan van datgene wat voorstelt, maar van dat wat voorgesteld wordt.
En dat is slechts bij een ding mogelijk, wat namelijk ook van binnenuit
toegankelijk is en daarom ook op tweevoudige wijze gegeven is: het eigen
lichaam, dat in de objectieve wereld als voorstelling in de ruimte staat, maar
tegelijk zich aan het eigen zelfbewustzijn als wil presenteert. Deze weg vanuit
het eigen lichaam, analogisch overgedragen op de dingen om zich heen, d.w.z.
zodat de dingen gekend worden in hun wezen, dat wil zeggen hen niet alleen als
voorstelling (of substraat van voorstelling) te beschouwen maar ook vanuit het
bewustzijn van de dingen zelf. “Es
ist dem als Individuum erscheinenden Subjekt des Erkennes das Wort des Rätsels
gegeben, und dieses Wort heisst Wille. Dieses, und dieses alle in Subjekt
gibt ihm den Schlussel zu seiner eigenen Erscheinung, offenbart ihm die
Bedeutung, zeigt ihm das innere Getriebe seines Wesens, seines Tuns, seiner
Bewegungen. Dem Subjekt des Erkennens, welches durch seine Identität mit dem
Leibe als Individuurn auftritt, ist dieser Leib auf zwei ganz verschiedene Weise
gegeben: einmal als Vorstellung in verständiger Anschauung, als Objekt unter
Objekten, und den Gesetzen dieser unterworfen, sodann aber auch zugleich auf
eine ganz andere Weise, namlich als jenes jedem unmittelbar Bekannte, welches
das Wort Wille bezeichnet. Jeder Wahre Akt seines Willens ist sofort und
unausbleiblich auch eine Bewegung seines Leibes. Er kann den Akt nicht wirklich
wollen, ohne zugleich wahrzunehmen, dass er als Bewegung des Leibes erscheint.” Zonder
wil zou er slechts enkel voorstelling zijn -en deze zou leeg zijn omdat ze
slechts verschijning zou zijn zonder kracht –zonder wezen -zonder motivatie.
Door de kracht achter elk ding en elk levend wezen, kan het werken en krijgt het
'Dasein' en deze kracht noemt Schopenhauer wil. Kennis en het intellect is niet
verbonden met de wil zodanig dat de wil door de "Erkenntnis" bepaald
wordt. Het is eerder omgekeerd:"Erkenntnis ist durch Wille bedingt".
Als een steen zou vliegen als hij wordt gegooid en als hij bewustzijn zou hebben
zou hij ervan overtuigd zijn op eigen kracht te vliegen, uit eigen wil. “Ich
betrachte das innere wesen, welches aller realen Notwendigkeit (d.i. Wirkung aus
Ursache), als ihre Voraussetzung, erst Bedeutung und Gültigkeit erteilt, beim
Menschen Charakter, beim Stein Qualität heisst, in beiden aber dasselbe ist, da
wo es unmittelbar erkannt wird, Wille genannt, und welches im Stein den schwächsten,
im Menschen den starksten Grad der
Sichtbarkeit, Objektivität, hat.” “Was
überhaupt Sinne und Verstand wahrnehmen, ist eine ganz oberflächliche
Erscheinung, die das wahre und innere Wesen der Dinge unberührt lässt. Nicht
die Cartesianische Einteilung aller Dinge in Geist und Materie ist die
philosophische richtige; sondern die in Wille und Vorstellung is die richtige:
diese aber geht mit jener keinen Schritt parallel. Denn sie vergeistigt alles,
indem sie einerseits auch das dort ganz Reale und Objektive, den Körper, die
Materie, in die Vorstellung verlegt, und andererseits das Wesen an sich einer
jeden Erscheinung auf Willen zurückführt. Bei
mir ist das Ewige und Unzerstörbare im Menschen, welches daher auch das
Lebensprinzip in ihm ausmacht, nicht die Seele, sondern, das Radikal der Seele,
und dieses ist der Wille” (Radikal
is hier bedoeld in zin van chemie: molekuul (atoomgroep) met een of meerdere
elektronen met sterke reaktiemogelijkheden). “Unser
Selbstbewusstsein hat nicht den Raum, sondern allein die Zeit zur Form: deshalb
geht unser Denken nicht wie unser Anschauen nach drei Dimensionen vor sich,
sondern bloss nach einer, also auf einer Linie, ohne Breite und Tiefe. Hieraus
entspringt die grösse der wesentlichen Unvolkommenheiten unseres Intellekts.
Wir können nämlich alles nur sukzessive erkennen und nur Eines zur Zeit uns
bewusst werden, ja auch dieses Einen nur unter der Bedingung, dass wir derweilen
alles andere vergessen, also uns desselben gar nicht bewusst sind, mithin es
solange aufhort, für uns dazusein. In dieser Eigenschaft ist unser Intellekt
einem Teleskop mit einem sehr engen Gesichtsfelde zu vergleichen; weil eben
unser Bewusstsein kein stehendes, sondern ein fliessendes ist. Der Intellekt
apprehendiert nämlich nur sukzessiv und muss um-das eine zu ergreifen, das
andere fahren lassen, nichts als Spuren von ihm zurücklassend, welche immer
schwacher werden. Auf dieser Unvollkommenheit des Intellekts beruht das
Rhapsodische und oft Fragmentarische unseres Gedankenlaufs, und aus
diesem entsteht die unvermeidliche Zerstreuung unsers Denken.” Uit:
A. Schopenhauer, Welt und Mensch. Eine Auswahl aus dem Gesamtwerk von A. Hübscher,
Stuttgart 1980, 33-50
Josef
Schmid sechzig
Jahre alt
schon dreissig
Jahre krank
schon Schizophrenie kein
Genie “Als men niet bewust is van wat men zegt -hoe zal men dan bewust zijn van wat men doet?” Ivo
Michiels
De
wereld als wil én voorstelling: Deze
combinatie wordt in de westerse filosofie nauwelijks serieus genomen: wel het
eerste deel: wereld als voorstelling; maar niet wereld als wil. Bij Regel is er
geen sprake van wil maar van geest -maar men tast eigenlijk in het donker als
men het motiverende beginsel achter alles en iedereen wil verwoorden. Vandaar
dat de oplossing van Schopenhauer nog niet zo slecht is en deze is mede geïnspireerd
door het denken van het Boeddhisme, nl. dat alle willen uit een begeerte
voortkomt - die begeerte is ook een willen - en daarom draait de wereld
(rond). Een
ander begrip voor wil zou ook ‘Absicht’ (Duits voor bedoeling –ook
metafysisch) of “Intent” (Engels voor intentie, intentionaliteit van alle
dingen -ook hier weer een zekere metafysiek) kunnen zijn. Het metafysische
karakter van deze begrippen bestaat in het feit dat wij als mensen niet de
'bedoeling' en/of 'intentionaliteit van de dingen (en de mens zelf) kunnen
doorschouwen. Hiermee zitten wij op twee of eigenlijk een spoor nl. de
fenomenologie van E. Husserl en de leer van Carlos Castaneda, waarbij deze
laatste de fenomenologie van Husserl te theoretisch en te weinig praktisch
gericht vindt. Het
bewustzijn is volgens Husserl ‘intentioneel’, dat wil zeggen op voorwerpen
gericht. Bij dit gericht zijn op hoort onlosmakelijk de intentie naar
vervulling; want slechts de oorspronkelijke vervullende belevenissen geven het
bewustzijn oorspronkelijke voorwerpen met een bepaalde inhoud zonder
vervullingsmogelijkheid zou helemaal geen voorwerpsbewustzijn plaatsvinden. Het
voorwerp vind ik als iets dat ook buiten alle mogelijke voorwerpsvormen bestaat
-het voorwerp gaat niet op in mijn voorstelling -het is meer dan slechts mijn
voorstelling -en in deze zin transcendeert het voorwerp de wijzen waarop wij het
kunnen voorstellen of bevatten het overstijgt mijn voorstelling. De opvatting
dat het voorwerp transcendent is heeft een reden: ze kan slechts door het subjectief-situatief
verschijnen van het voorwerp zelf gemotiveerd zijn. Met de analyse van deze
motivatie bij de verschillende soorten van voorwerp zijn voor ons bewustzijn
begint met een ander woord de constitutieanalyse. De mens is van nature op
dingen (voorwerpen gericht) maar de wijze waarop dit gebeurt - plaatsvindt,
blijft meestal buiten beschouwing; vandaar dat Husserl hier aandacht op vestigt
om te onderzoeken hoe dit plaatsvindt. Daartoe maakt hij gebruik van de
fenomenologische reflectie. Deze laat zien dat er twee grote groepen zijn van
hoe de dingen - voorwerpen verschijnen; (Gegebenheitsweisen, durch die hindurch
ihm die Gegensände allein erscheinen können): een voorwerp kan mij zo gegeven
zijn dat ik daarbij het bewustzijn heb van een verwijzing en aangewezen zijn op
andere mogelijke gegevenheden, waarin het voorwerp te beschouwen is; of het
voorwerp verschijnt mij zo dichtbij die Husserl 'originariteit' noemt,
"alle nicht-sachnahen, d.h. vagen, irgendwie verdeckenden oder verzerrenden,
unbestimmten, mehr oder weniger inhaltsleere Vorstellungen haben, weil ihr
Erlebnisgehalt das Bewusstsein nicht befriedigt, die Tendenz, sich in originären
Gegebenheitsweisen des betreffenden Gegenstandes zu ‘erfüllen'; zugleich sind
vom aktuell gegebenen Erlebnisgehalt her bereits Möglichkeiten vorgezeichnet,
durch deren Realisierung das Bewusstsein zur Erfüllung gelangen kann." "Die
Analysen zur Konstitution müssen deshalb bei den originären Gegebenheitsweisen
ansetzen, die das Bewusstsein dazu motivieren, sich Gegenstände begegnen zu
lassen. Die Phänomenologie beschreibt, wie das originär erlebende Bewusstsein
'es' macht, dass sich vor ihm ein Bestand von Gegenständen aufbaut die ihm als
etwas an sich Seiendes erscheinen. Die durch die Analyse sichtbar gemachte
Aufbauleistung des Bewusstseins nennt Husserl Konstitution. Die
Konstitutionsanalysen beziehen sich jeweils auf einen bestimmten
Gegenstandsbereich. Gezeigt wird, wie das Sein von Gegenständen einer
bestimmten Art oder Gattung von Seiendem in entsprechenden
Bewusstseinsleistungen zustande kommt. Den Leitfaden' für die Analysen bilden
die allegemeinen Wesensstrukturen solcher Gegenstandsbereiche, also z.B. der
Wahrnehmungsgegenstände, der Zahlen, der sprachlichen Bedeutungen, der
Rechtsnormen, der ethischen oder sonstigen Werte usw. Die Wesenstrukturen werden
erkannt durch die Methode der ‘eidetischen (d.h. auf das Eidos -das Wesen –
bezüglichen) Reduktion’ mittels derer wir von den Tatsachen absehen, um auf
ihre allgemeinen Bestimmungen zu achten." In
de situatie van de oorspronkelijke verschijning neem ik betrekking op de zaak -
het voorwerp: het voorwerp verschijnt voor mij als iets ervaarbaars,
herkenbaars, beleefbaars. Zij is voor mij oorspronkelijk gegeven en ontleent
hier ook haar zin (voor mij) aan. Naast het zijn voor mij van het voorwerp is er
echter ook een zijn voor zichzelf van het voorwerp wat onafhankelijk is van mij
als kennende subject. Maar omdat elke ervaring, beleven, denken op situaties van
oorspronkelijk verschijnen berust, veronderstelt de kennisname van voorwerpen
(zoals ze ‘an sich' zouden zijn) de subjectieve - situatiegebonden
oorspronkelijke gegevenheid. Hoe zijn de voorwerpen op zichzelf? Er bestaat een
correlatie tussen de wijze waarop de voorwerpen zijn op zichzelf en de wijze
waarop wij hen leren kennen als aan ons verschijnend. De correlatie hangt af van
de conkrete wijze van het voorwerp zelf. De beide zijden van de correlatie
hangen onlosmakelijk samen: het voorwerp in het hoe van zijn gegevenheid (Noema)
-en daaraan corresponderend de wijze waarop wij het ervaren, beleven kennen (Noesis)
in welke mij een soort van voorwerp oorspronkelijk toeschijnt en ook slechts
toeschijnen kan. Ik kan niet los van deze wijze van mijn ervaren naar het
voorwerp kijken: ik zie het slechts door mijn ervaren heen (vgl. Schopenhauer
m.b.t. wil en lichaam). De
voorwerpen in het hoe van hun verschijnen in geordende wijzen van gegevenheden
zijn de fenomenen, de verschijningen waarover de fenomenologie gaat. Dus het
voorwerp zoals het is en zoals het aan ons verschijnt via ons bewustzijn: deze
relatie (correlatie) staat centraal -waarbij het feitelijk bestaan en voorkomen
van het voorwerp allereerst eens tussen haakjes geplaatst wordt (reductie) om
dat het feitelijk verschijnen van de ware aard (het wezen van het voorwerp)
afleidt. Wat
tot nu toe "Sachnähe", "Zu den Sachen-selbst" of
“Orginarität" (Oorspronkelijkheid) genoemd wordt is in de filosofie als
basis voor filosofische kennis langer bekend onder de naam evidentie. "
Auch die Phänomenologie zehrt in ihrem Sinngehalt vom ursprünglichen "leibhaften"
Erscheinen dessen, worüber sie Aussagen macht. Ohne Einsicht ('intuitio', 'Anschauung'),
die durch ihre Sachnahe und damit Sachhaltigkeit ‘einleuchtet’ (Evidenz),
bleibt das philosophische Denken ein Leeres Argumentieren und Konstruieren." De
intentie van het bewustzijn naar een voorwerp is geen statische betrekking op
iets, maar geïnspireerd door een tendens naar oorspronkelijkheid. Husserl
gebruikt de woorden (Intention-Intendieren) intentie en intenderen als in het
alledaagse spraakgebruik, waar ze een streven met een bedoeling (Absicht)
betekenen. Het intentionele bewustzijn is in al zijn vormen erop gericht, in de
"anschaulichen Selbsthabe des Erlebten" bevrediging te vinden. "Das
Bewusstsein will auf Evidenz hinaus: sie bildet sein Ziel sein Telos.” Men
mag zich het bewustzijn niet voorstellen als een leeg strand, waarop de zee
willekeurig voorwerpen aanspoelt; het is geen container, die het niets uitmaakt
waarmee hij gevuld wordt; maar het bestaat uit verschillende handelingen,
waarvan het karakter door verschillende vormen van voorwerpen bepaald wordt, die
uitsluitend in de voor hen passende gegevenheidsvormen
voor het bewustzijn verschijnen kunnen. Dat geldt onafhankelijk van het
feit of het voorwerp factisch voor handen is of niet. Als ik mij iets voorstel
wat niet bestaat, bepaalt de wijze van de bewustzijnsvoltrekking zich zo: het
perspectivistische zien, van het voorwerp, in dit geval: van het ding in de
ruimte, op basis hiervan. “Da
die Akte nichts sind ohne die Gegenstände, wovon sie Bewusstsein sind, kann man
sagen: Das intentionale Bewusstsein trägt den Gegenstandsbezug in sich selbst." “Der
Charakter der Bewusstseinsvollzüge ist nicht von den zufällig angetroffenen
empirischen Gegebenheiten abhängig, sondern vom Wesen, d.h. der allgemeinen
Bestimmtheit der Arten von Gegenständlichkeit." De
fenomenologie heeft geen betrekking op de feiten, nl. de bij mensen empirisch
vaststelbare individuele gevallen van intentioneel beleven en hun voorwerpen. Ze
abstraheert van het toevallige factische bewustzijnsproces en de voorwerpen, en
richt haar aandacht op de wetten die het wezen bepalen van, en die de opbouw van
de handelingen ( van het bewustzijn) en de in het bewustzijn verschijnende
zijnsregionen bepalen. (Deze wetten zijn noodzakelijk en algemeen; ze gelden in
elke intentie). "Die
Zurückführung der faktischen Eigenschaften der intentionalen Erlebnisse und
ihrer Gegenstände auf die eidetische Bestimmtheit, die ihnen zugrunde liegt und
für die die faktischen Eigenschaften nur auswechselbare Beispiele sind, nennt
Husserl eidetische Reduktion." In
mijn concreet intentioneel beleven heb ik een bepaalde speelruimtes: ik kan stap
voor stap steeds meer voorwerpen thematiseren. Ik kan vrij maar niet willekeurig
over deze speelruimte vervoegen. Hoe ik verder thematiseren kan is afhankelijk
van regels, waarmee ik op een niet uitdrukkelijke wijze vertrouwd ben. Op deze
wijze heb ik een bewustzijn van de verwezenheid van een belevenisvoorwerp op
steeds andere voorwerpen. Deze
vertrouwdheid met de geregelde verwijzingssamenhang, waarbinnen ik mijn concrete
ervaringen voortzetten kan, noemt Husserl ‘Horizontbewusstsein' en de
speelruimte voor mogelijke ervaringen, die daardoor geopend wordt, horizon. De horizon is in een omvattende zin mijn gezichtsveld, de omtrek van de om mij als middelpunt georiënteerde wereld. Hij verschuift met de positieverandering van het subject. Hij is als speelruimte van mijn ervaringsmogelijkheden iets subjectiefs; ik vind deze mogelijkheden wel als voorgeven, maar zo dat ik het ben die erover beschikt; ik heb het bewustzijn... Husserl noemt mijn horizonbewustzijn het bewustzijn van mijn "Vermöglichkeiten": tot mijn "Vermöglichkeit” hoort het be |