perceptie
Start Omhoog lezen

 

aarde/earth
heaven/earth
hemel/heaven
cards
beelden - objecten
teksten/texts             

 

 


Oudere teksten

 

 

 

 

NAAR EEN ICONOLOGIE IN DE SCHILDERKUNST.

De morfologie van ons bewustzijn

Ons bewustzijn bezit een bepaalde vorm die niet in een -heldere structuur is zichtbaar te maken zoals bijvoorbeeld de foto van een gebouw. Als wij over ons bewustzijn spreken zijn wij er ons meestal nauwelijks van bewust dat wij het over een metafoor hebben, een beeld waarmee wij een werkelijkheid aanduiden, maar dat niet 100% aangeeft hoe die werkelijkheid is.

Als wij het woord bewustzijn in de mond nemen dan kan dit slechts bij de gratie van dit bewustzijn zelf (wat dit dan ook in eerste instantie mag zijn). Vanuit ons bewustzijn van ons bewustzijn kunnen wij slechts bij benadering omschrijven en zeggen wat nu eigenlijk bewustzijn, meer exact ons bewustzijn, is. Bij benadering kunnen wij spreken over bewustzijnsvormen, en daarmee bedoelen wij dat er verschillende wijzen zijn waarop bewustzijn plaats kan vinden en als wij over bewustzijnsgraden spreken geven wij hiermee aan dat er sprake is van een verschillende mate in intentie waardoor dit bewustzijn geleid of gestuurd of voortgedreven wordt. In abstracta denken wij zelf dat het mogelijk is om over een bewustzijnsstructuur te spreken en hiermee bedoelen wij dat het bewustzijn als vorm met een bepaalde graad van bewustzijn (intentie) afhankelijk is van de structuur die als het ware het raamwerk en de inhoud van dit bewustzijn bepaalt. Wij kennen elke vorm van bewustzijn een bepaalde structuur toe om de eenvoudige reden dat deze structuur de voorwaarde en de enige mogelijkheidsvorm is van het bewustzijn. Bewustzijn is er bij de gratie van een structurele ordening.

Bewustzijn zonder structuur is in onze ogen een onmogelijkheid want bewustzijn veronderstelt meteen een bewustzijn van ‘iets', en bewust zijn van 'iets’ vindt op een bepaalde wijze plaats -een geordende wijze die onderscheid maakt tussen het 'iets' en het bewustzijn van dat 'iets'.

Kunnen wij stellen dat bewustzijn meteen zelfbewustzijn is? Voor de mens geldt dit zeker ook al wordt het zelfbewustzijn impliciet ervaren en kan het gebeuren dat de explicitering van het zelfbewustzijn via taal en gevoelens laat op gang komt. De structuur van het bewustzijn zouden wij hier de “morphè” van het bewustzijn willen noemen en de leer van de vormen van het bewustzijn houdt zich dus voornamelijk met bewustzijnsstructuren bezig, d.w.z. raamwerken en inhouden. Want in ons theoretisch construct dat wij  hier ontwikkelen gaan wij ervan uit dat raamwerken en inhouden elkaar beïnvloeden waardoor zowel inhoudsveranderingen en raamwerkveranderingen kunnen optreden met alle gevolgen die dit kan hebben voor een derde factor in deze relaties de perceptie van de ‘werkelijkheid' en ons concept van die 'werkelijkheid' (meervoud eigenlijk concepten).

Bewustzijnsstructuren

De werkelijkheid voor het bewustzijn is altijd de werkelijkheid voor dit bewustzijn. Het bewustzijn is zich bewust van zijn werkelijkheid die voor hem ligt. Zij ligt eigenlijk niet, zij is, en het feit dat het bewustzijn bewust is impliceert tevens een zelfbewustzijn van die act. Wij veronderstellen dat het bewustzijn in de mens, van de mens, een typische 'menselijke' wijze kent, heeft om met de dingen, mensen, wereld, kortom de  werkelijkheid die op dit moment van belang is (het hier en nu, wat verleden en toekomst niet hoeft uit te sluiten) om te gaan, nl. in de gradaties van direct contact: schokkend zodat de werkelijkheid het bewustzijn overdondert tot aan de situatie waarin het bewustzijn van de mens de werkelijkheid buiten die mens links laat liggen, d.w.z. er zich niet van bewust is. Enerzijds heeft dit te maken met de omgang met de werkelijkheid of de existentie zelf, anderzijds heeft de structuur van ons bewustzijn hier een hoofdrol. Bewustzijn is door de aard van haar structuur, die uit wisselende raamwerken en inhouden bestaat, bij voorbaat een mediale kracht die medium is voor de werkelijkheid van het lichaam (lichamelijk functioneren waaraan het bewustzijn niet los te onderscheiden valt) en de werkelijkheid van alles buiten dit lichaam. Ons bewustzijn bezit de sleutel (metaforisch) die op alle sloten van de werkelijkheid past het is zelf die sleutel en het opent alle mogelijke toegangen tot die werkelijkheid of de werkelijkheden, (want er zijn er natuurlijk meer dan een).

Echter ons bewustzijn beschermt ons ook voor een teveel aan bewustzijn, d.w.z. het doseert de werkelijkheid, zodat zij ons niet en daarmee ons bewustzijn overrompelt en lam legt. Het is nu dat deze dosering hoogstwaarschijnlijk niet-bewust plaats vindt. Zij vindt automatisch plaats zodat wij er zelfs geen erg in hebben, nl. door perceptieve selectie. Perceptieve selectie is enerzijds inherent aan onze constitutie: wij kunnen gewoon niet alles zien - waarnemen om ons heen (tenminste niet tegelijk - onze zintuigen zouden doordraaien); anderzijds willen wij ook niet alles zien en selecteren wij uit wat voor ons van belang schijnt. Dit kan bewust plaatsvinden, maar grotendeels is dit een zaak die niet aan de oppervlakte van ons bewustzijn komt. De inhouden van ons bewustzijn zijn daarom dan ook vaag en wij worden door de aspectuele zijde van de dingen in beslag genomen of anders gezegd bepaald door het perspectief waarmee wij waarnemen en de horizon waarin wij staan. Nog vager zijn de raamwerken waarbinnen de bewustzijnsinhouden een plaats' vinden. Geen enkele inhoud kan zonder een raamwerk waarbinnen deze past.

Als het bewustzijn een bewustzijnsstructuur is of geheel van structuren dan betekent dit dat er niets buiten die structuren is - geen ziel of ander medium of wezen dat het bewustzijn zou overstijgen. Het bewustzijn is structuur en zonder structuur geen bewustzijn. Bewustzijn van het niets in een niets, d.w.z. bij aanwezigheid van elke vorm van inhoud en van raamwerk bestaat niet. Elk beeld, elk woord, elke gedachte, elke bevestiging en ontkenning leeft bij de gratie van het bewustzijn maar het bewustzijn bestaat pas door deze beelden, woorden en gedachten.

Bewustzijnsstructuren kunnen samenvallen met hun inhouden/raamwerken en die noemen wij dan concepten of cognitieve kaarten - waarden maar het bewustzijn gaat er niet in op. In plaats van cognitieve structuren die cognitie  regelen en hun inhoud,  kunnen wij ook spreken van iconische modellen. Iconische modellen zijn invullingen van de werkelijkheid in ons bewustzijn: zij bestaan uit een raamwerk met inhoud en zij zijn aan verandering onderhevig, hoewel wij in ons dagelijks handelen ervan uitgaan dat deze modellen tot ons vaste arsenaal van kennis (en waarheid) behoren en vlij richten ons leven in aan de hand van dergelijke (ontelbare) modellen.

Om iets naders te weten te komen over deze iconische modellen die van groot belang zijn in onze perceptie omdat zij de wereld ordenen, of geordend hebben (expliciet en impliciet - bewust en niet bewust) stellen wij voor te komen tot de ontwikkeling van een iconologie. Wij zijn ons ervan bewust dat wij hiermee de term 'icon' zoals Ch. S. Peirce deze heeft ontworpen in een linguïstiek, annexeren voor een ander veld van toepassing. Bij Peirce heeft het begrip 'icon' al een bredere toepassing dan alleen maar een woord. Ook beelden, diagrammen en foto's hebben een iconische functie, d.w.z. -er bestaat een associatiesamenhang (op basis van similariteit) tussen het voorgestelde in het woord en het ding in de werkelijkheid.

Maar los hiervan voelen wij ons gerechtigd om het begrip' icon' in de samenstelling 'iconisch' en 'iconologisch' een eigen invulling te geven die met name nadruk legt op het structurele aspect van het bewustzijn.

In het nu volgende zullen wij dan ook een poging ondernemen om tot een uitwerking van een dergelijke 'iconologie' te komen. Later zullen wij zien dat dit ook van belang kan zijn voor een andere kijk op schilderkunst en de andere beeldende kunsten.

Iconologie

De mate waarin het abstracte begrip iconologie concreet kan worden voorgesteld is afhankelijk van het metaforisch potentiaal van dit begrip of anders van de wijze waarop dit begrip 'iets' bij ons kan los maken waardoor wij kunnen zeggen "warempel, zo heb ik het nog niet bekeken, maar dit bezit ook een hoge graad van waarschijnlijkheid". In de filosofie wordt dit een "Aha-Erlebnis" genoemd. Als metafoor (en elke metafoor bezit die eigenschap) heeft het begrip iets verleidend en dwingt het je als het ware in een bepaalde blikrichting te kijken, een bepaalde voorstelling (net als in de bioscoop) te zien. En om een andere metafoor te gebruiken, misschien is in het begin het beeld vaag en verward, maar hoe langer men daar in die donkere ruimte zit, hoe meer men herkent en hoe meer contouren het beeld begint te krijgen. Het krijgen van contouren zou men ook het langzaam inpassen in een eigen kader kunnen noemen.

Door deze inpassing wordt datgene wat wij leren onderscheiden en zelfs pas zien geordend op een wijze die ons vertrouwen in de omgang met de werkelijkheid niet aantast, ook al bestond er bij de eerste gewaarwording een lichte onzekerheid omdat de beelden in geen enkel kader leken te passen.

Door de opname van de beelden groeit ook het kader mee. Dit laatste zouden wij een voortdurende wisselwerking willen noemen en zij is relatief. Alleen hebben wij mensen de neiging om alle relatieve kaders in wisselwerking met hun inhoud te verwarren met de 'waarheid', waaraan wij onze dagelijkse zekerheid menen te moeten ontlenen.

Het meest frappante in een leer over iconische modellen is het feit dat iconische modellen kenmerken bezitten die hen boven bijvoorbeeld cognitieve modellen doet uitstijgen: De termen zijn verwisselbaar tot op een zekere hoogte, maar het begrip 'iconisch' bevat een eigenschap die niet in het begrip cognitief ter sprake komt. En deze eigenschap bestaat in het feit dat een iconisch model tot stand komt, letterlijk ontstaat door een “Aha-Erlebnis" waardoor een nieuwe samenhang en structuur zichtbaar wordt die voor de beschouwer een nieuwe en waardevolle verklaringswaarde heeft voor datgene wat hij ziet. Het iconisch model lost oude modellen met minder  verklaringswaarde af omdat het hen bij voorbaat achterhaald doet schijnen. In die zin valt het iconisch model te vergelijken met het ontstaan van een nieuw paradigma in de wetenschap. Precies dit 'nieuwe' aan het model, de hoop die het mee draagt dat het meer verklaart dan de oude modellen en het inzicht dat het op een andere en dus 'nieuwe' (tot nu toe onbekende) wijze laat zien hoe de dingen in de werkelijkheid 'schijnen' maakt het tot een model dat het begrip cognitie overstijgt. Misschien zou je zelfs dit mogen stellen, dat er pas cognitie plaats kan vinden als er iconische modellen zijn waarbinnen die cognitie een plaats vindt - als onderdeel ervan - als instrument in de waarneming en kennisopname.

Daarmee is het bijzondere karakter van iconische modellen nog niet volledig besproken. Want wij moeten ons hier afvragen hoe het komt dat de mens oude 'iconische' modellen vervangen kan door 'nieuwere', of anders hoe vervanging van modellen sowieso mogelijk is. De connotaties oud en nieuw hebben hier eigenlijk niet veel waarde omdat ze nauwelijks iets onthullen van de wijze waarop iconische modellen werken en aangevuld – aangepast - vervangen kunnen worden.

Wat wij op deze pagina uitvoeren is een 'stoeien' met een nieuw begrip en in dit spelen ermee tasten wij de grenzen ervan af, schrijven wij het een verklaringswaarde toe en verwachten wij dat het verklaringen biedt over het functioneren van onze bewustzijnsstructuur. Het ontwerpen en uitdiepen van het begrip 'iconisch' om het besef, dat wij hebben van hoe ons bewustzijn functioneert, uit te werken in een begrippenkader is op zichzelf een 'iconische' werkzaamheid. Hier geldt dezelfde spiraal als bij de formulering bewustzijn van het bewustzijn. Spiraal is hier een metafoor (eigenlijk ook een iconisch model als je de historie en associatiesamenhang met b.v. ontstaan leven via DNA-ketens, spiraalstructuren sterrenstelsels enz. erbij haalt en doet vermoeden dat spiralen een verklarende, zo niet beeldende functie hebben in de beschrijving van de werkelijkheid), maar hij geeft hier goed aan dat wij in een kringetje draaien waaruit geen ontkomen is: wij kunnen niet buiten onszelf gaan staan -dat punt is er niet zonder dat er sprake is van een bepaald bewustzijn dat ons dan weer meteen in het middelpunt van de spiraal doet belanden.

Om de boven gestelde vraag te beantwoorden: worden iconische modellen door andere vervangen omdat deze laatste meer verklaren? Dit motief kan meespelen als blijkt dat het oude model veel vragen openlaat, maar het bewustzijn van opengelaten vragen duidt er al op dat er een nieuw iconisch model ontstaan is dat deze vragen als het ware veroorzaakt.

Omdat wij in ons dagelijks leven ons laten leiden door overtuigingen en meningen (oordelen) zonder dat wij ons hiervan bewust zijn of er expliciet bij stil staan, hebben wij ook niet in de gaten dat elk van deze meningen een iconisch model vertegenwoordigen waarmee wij niet-bewust maar wel actief de werkelijkheid te lijf gaan. Wij zetten de werkelijkheid voor een deel naar onze hand omdat wij haar in onze modellen dwingen.

Alles wat niet in deze modellen past wordt terzijde geschoven met het etiket niet-relevant / niet – van - waarde. Wij staan er meestal niet bij stil dat onze gehanteerde modellen slechts een beperkte waarde hebben en zeer relatief zijn. Vandaar dat het argument van vervanging van oude modellen door nieuwe die meer zouden verklaren nauwelijks opgaat. Misschien is het zelfs wel zo dat hoe meer bewust wij trachten de werkelijkheid in een model te persen, of anders uitgedrukt, hoe meer wij trachten verklaringen voor bepaalde verschijnselen uit de werkelijkheid te vinden (het zijn verschijnselen - zij verschijnen en bezitten in hun verschijning een eigen vaak onverklaarbare en niet direct achterhaalbare evidentie) hoe meer ons bewust wordt hoe complex de werkelijkheid is en hoe minder het ons lukt om passende en sluitende verklaringen (en modellen) te ontwerpen. Een speciaal punt van aandacht in dit licht zijn uitvindingen: men vindt meestal niet iets uit door combinatie van factoren en logische ordening ervan, maar meestal gaat er zoiets als een bepaalde inspiratie (spiritus -  geest) aan vooraf en komt het idee, of de oplossing in een flits. Let hier op het woordgebruik: de blikseminslag verlicht en er ontstaat een kort en helder moment waarin zich de contouren van de oplossing of uitvinding aftekenen. Wat doet de wetenschapper of kunstenaar dan? Hij tekent de contouren na van wat hij kortstondig waarnam.

Het in een flits. Waarnemen is eigenlijk een functie die aan het ‘iconische omgaan met de werkelijkheid' toekomt. Enerzijds is deze werkelijkheid voor ons bewustzijn opgeslagen in iconische modellen (die wij dan ook star en eenzijdig zouden kunnen interpreteren)in een soort archief dat wij het geheugen kunnen noemen, anderzijds zijn het net de iconische modellen waar wij geen vat op hebben en die 'als vanzelf' ons andere aspecten van de werkelijkheid laten zien. Het is maar net afhankelijk van de starheid of 'domheid' van ons denken en ons zelfbewustzijn dat eigenwaan en 'grootheidswaan' voorop plaatst boven de onzekerheid van een relatief staan in de werkelijkheid, zonder enkele zekerheid, of wij in staat zijn onze eigen grenzen te transcenderen. Wij hebben de mogelijkheid via ons bewustzijn: het is de sleutel voor alle vormen van werkelijkheid, maar wij kunnen ons ook iets laten wijsmaken:  de misleiding van de 'eeuwige geborgenheid', de paradijstuin, de ongereptheid, onaangeraakt zijn door de vinger van de werkelijkheid, de eeuwige slaap zonder droom, de volkomen rust van het niets, etc. kortom de ontkenning van de relatieve spanningsverhouding waarin wij ons bevinden en het leven, ons leven, als het doorleven van die spanning.

In principe is voor de mens elke kennis bereikbaar en in potentie aanwezig. In principe is er niets nieuws onder de zon, maar zijn de combinatiemogelijkheden zo uitgebreid als de kosmos.

Het totalitaire karakter van het iconisch model

Iconische modellen zijn totalitair (een metafoor) omdat zij onze hele werkelijkheid bepalen: elk gevoel, elke opvatting, elke wijze van zijn via de weg van ons bewustzijn, elke gedachte, elke zekerheid en onzekerheid.

Waarom is dit een metafoor? Op de eerste plaats lenen wij het begrip 'totaal' uit de filosofie van Hegel waar de ‘Absolute Geest' de hele werkelijkheid doortrekt en dit beeld (wat ook weer een metafoor is) benutten wij om de positie van het iconisch model te beschrijven in ons bewustzijn. Maar op de tweede plaats kunnen wij slechts vermoeden dat er hier sprake is van een 'totalitair' karakter. Bewijzen kunnen wij het niet, hoogstens aannemen. Wij verkeren nl. niet in de positie om het al dan niet totalitaire karakter van het iconisch model voor het geheel van het menselijk bewustzijn te overzien en te waarderen. Daarvoor is ook ons bewustzijn te beperkt. Maar om het belang van het ‘iconisch model' te onderstrepen willen wij een frontale aanval uitvoeren, doorstoten naar een definitievere omschrijving van de werkelijkheid van ons bewustzijn, door het begrip 'totalitair karakter’ te gebruiken.

Totalitair mag niet worden verward met afgesloten en star. Totalitair wil enkel zeggen: op alles, maar dan ook alles betrekking hebbend wat het menselijke bewustzijn aangaat. Wij hebben al eerder gesteld dat volgens ons de bewustzijnsstructuur overeenkomt met vorm en inhoud. Elke vorm en elke inhoud ( in wisselwerking) of elke invulling, elk iconisch model ( wat een abstractie is en waarin afgezien wordt van de vertaktheid en het grote aantal verschillende gestalten die dit model tegelijk kan aannemen) is verwikkeld in een dynamiek, een beweging, die eens in gang is gezet (hoe dat weten wij niet) en waarvan het einde niet zichtbaar is (vanuit ons standpunt). Wij zijn ervan overtuigd dat het bewustzijn niet onder het feit uit kan dat het bestaat uit iconische modellen waarin zoveel ruimte is voor nieuwe kaders en nieuwe invullingen, als wel beschouwd kan worden als een geheel van vaststaande gegevens waar wij in ons dagelijks leven opbouwen. Bij dit laatste komt het er niet op aan dat wij kunnen bewijzen dat iets zo en zo is, (want dat kunnen wij niet) maar het komt erop aan dat wij  vertrouwen hebben, nl. dat de werkelijkheid is zoals wij haar waarnemen. En wij nemen haar slechts waar via iconische modellen: ziehier weer het totalitaire karakter van deze modellen. Is het feit dat wij vertrouwen hebben ook het gevolg van een iconisch model? Of is er een model voor aan te wijzen dat verantwoordelijk is?

Waarschijnlijk is het zo dat er niet expliciet een model is aan te wijzen, maar dat mensen wel ervaringen hebben waaruit blijkt dat bepaalde handelingen, gedachten en houdingen een stuk vertrouwen en zekerheid Opleveren.

  • Allereerst heeft de mens de ervaring dat de werkelijkheid existeert -ook zonder hem gaat het leven door om hem heen.

  • Ten tweede ervaart hij dat hij op een bepaalde wijze deel uitmaakt van het leven om hem heen. Hij handelt en beïnvloedt en wordt beïnvloed en bepaald.

  • Ten derde heeft hij ook de ervaring dat niet alles te beïnvloeden is en dat hij zich niet kan verzetten tegen beïnvloeding van buiten zoals hij misschien zou willen. Hij ervaart dus zijn beperking in zijn handelen (en denken).

  • Ten vierde kent hij, of heeft hij leren kennen dat er ervaringen zijn van overgave en geborgenheid (wat een extra kwaliteit aan zijn leven geeft) en van rust en slaap. In de slaap gaat hij op een andere wijze met de werkelijkheid om, of gaat de werkelijkheid met hem om. Iemand die niet kan slapen, zich niet kan overgeven aan zijn slaap gaat waarschijnlijk dood door de eenzijdigheid van zijn bestaan. De  mens wordt altijd geleefd ook al heeft hij het besef dat hij zelf leeft, maar het gaat hier om de juiste proportie, de juiste gevoelsmatige verhouding waarbij een mens zich ‘goed' voelt.

  • Ten slotte dit overziende kunnen wij zeggen dat er zoiets als een iconisch model van vertrouwen moet bestaan waarin al deze ervaringen op een bepaalde manier zijn verwerkt en verwerkt worden (wat een nooit afgesloten proces is).

Een ander argument om te spreken van een iconisch model van vertrouwen is het feit dat dit model verstoord kan worden: de mens kan zijn vertrouwen in zichzelf, in de werkelijkheid om hem heen verliezen. Dit vindt plaats in situaties waarin mensen andere mensen manipuleren opdat zij elke vorm van vertrouwen verliezen: martelen bijvoorbeeld en het toevoegen van groot leed. De mens die zijn vertrouwen verloren heeft gaat dan ook dood"want zonder vertrouwen is geen (menselijk - humaan) leven meer mogelijk en is de waanzin vaak de enige oplossing.

In het iconisch model van het vertrouwen in de werkelijkheid komt des te meer het totalitaire karakter van de ‘iconiciteit’ van ons bewustzijn naar voren. Het vertrouwen kan niet fragmentarisch zijn: het is totaal of het is er niet (meer) Natuurlijk is er plaats voor twijfel (twijfel is ook een iconisch model) maar twijfel betekent niet het tegengestelde van vertrouwen in de ons omringende  werkelijkheid. Iemand die zijn vertrouwen in de werkelijkheid verliest maakt niet een periode van twijfel door om dan te eindigen bij het verlies van alle vertrouwen. Geen vertrouwen hebben wil zeggen het vertrouwen verloren hebben door een schok -door een plotselinge (kortstondige of langdurige) periode die alle zekerheid en vertrouwen in een klap vernietigt. Dit kan alleen maar plaatsvinden omdat de inhoud van het iconisch model vertrouwen beperkt is en relatief is. De inhoud is bijvoorbeeld opgehangen aan ervaringen met mensen die het goed met je voor hebben en tijdens de schokperiode blijkt dat er mensen zijn (en op dat moment zijn dit alle mensen - er vindt een generalisatie plaats -een veralgemenisering (weer een bewijs voor het totalitaire karakter) die van 'uitzonderingen' algemene wetmatigheden maakt omdat de ervaring zo hevig is dat zij met geen middel valt te relativeren) die dit beeld van vertrouwen wat je hebt opgebouwd tot op de bodem toe afbreken en vervangen door angst. Angst en onzekerheid, het verlies van de wortels waardoor je dacht dat je gedragen werd. En het verlies van het vertrouwen impliceert meteen een zinverlies.

Een relativering van de inhoud van het iconisch vertrouwensmodel bijvoorbeeld door in te calculeren dat er zowel situaties zijn van 'absoluut' vertrouwen en 'absoluut' wantrouwen of teleurgesteld worden in dit vertrouwen of een hemel en een echte hel op aarde, zou de mogelijkheid kunnen verkleinen dat mensen hun vertrouwen definitief kwijt raken en daardoor niet meer kunnen en willen leven. Het is echter de vraag of de mens dit in de hand kan houden en of hij dit in de hand heeft. Vast staat wel dat; mensen erin slagen om andere mensen hun volledige vertrouwen in de medemens te la ten verliezen.

Of met andere woorden: zij slagen erin het iconisch model van vertrouwen tot op de grond toe af te breken, d.w.z. zij vernietigen de inhoud op een zodanige wijze dat het lijkt/schijnt (en op dat moment is dat voor de betrokkene ook zo) of er nooit meer zoiets als vertrouwen in de medemens kan bestaan, want dat wat er gebeurt is wel zo een sterk argument tegen het vertrouwen dat niemand dit kan weerstaan. Waarschijnlijk zal de teleurstelling, de ervaring dat er zoiets mogelijk is, het niet ermee rekening hebben gehouden dat het bestaat, een sterke rol spelen in dit proces. Dit heeft natuurlijk ook hiermee te maken dat wij nogal sterk geneigd zijn individueel en collectief onze ogen te sluiten voor de ellende van mensen om ons heen. De concrete hel waarin mensen kunnen verkeren willen wij niet zien -  wij houden ons liever in onze eigen 'hemel’ op. Enerzijds beschermt ons bewustzijn ons voor dergelijke ervaringen (en daar zijn wij heel goed in -versluiering -niet willen weten - zien) maar anderzijds bezitten deze ervaringen een realiteitswaarde, zij zijn zo werkelijk, dat wij hen eigenlijk niet (zouden) kunnen verdringen, en het is helemaal afhankelijk van de inhoud van onze iconische modellen of er plaats is voor deze ervaringen in ons bewustzijn.

De begeerte achter het model

Het zal inmiddels duidelijk zijn geworden dat iconische modellen gemotiveerd zijn en worden. Op de een of andere wijze is er sprake van een behoefte, een begeerte waardoor er inhouden belangrijk worden. Het spreken over begeerte onder het model is zelf weer een iconisch model. Maar dit kan ons er niet van weerhouden toch een aantal zaken op een rij te zetten. In de psychologie wordt gesproken over het feit dat het vertrouwen van het individu van wezensbelang is voor zijn staan in de wereld.

De behoefte hebben aan vertrouwen zou een soort begeerte kunnen zijn maar dat verklaart nog niet de aard van de begeerte. Waarom zou er zoiets als een begeerte zijn, en vervolgens waarom zou er een bepaalde begeerte schuilen onder het model en bij de instandhouding van het model of de verandering ervan? Of is er een principe te  bedenken dat een afdoende verklaring biedt voor de begeerte? In de filosofie wordt gesproken over het onderscheid tussen een egocentrische begeerte en de begeerte naar de ander, een centripetale en een centrifugale begeerte. Dit zegt echter slechts iets over de richting, nog niets over inhoud en het waarom. Begeerte kan ontstaan uit het besef van een tekort, om dan vervolgens dit tekort te willen opheffen. De ervaring van een tekort ontstaat echter pas door vergelijking en het in het vizier hebben van een situatie die duidelijk als een teveel tegenover een tekort wordt ervaren. Zou het iconisch model 'hoeveelheid', 'kwantiteit' en het model 'kwaliteit' (wat dit dan ook moge zijn) licht in de zaak brengen?

Een verandering van hoeveelheid hoeft op zich geen bevrediging in te houden als met die bevrediging geen kwalitatieve omslag wordt bedoeld en ervaren. Kwantiteit die niet op de een of andere manier als kwaliteit wordt ervaren speelt in de begeerte geen rol van betekenis. Pas als er een waarde aan kwantiteit gehecht wordt, die dan kwantiteit transcendeert, speelt ze een rol van betekenis in het menselijk handelen.

De ervaring van een tekort heeft dan waarschijnlijk in eerste instantie geen betrekking op een hoeveelheid maar op een kwalitatief ervaren tekort, een gemis. Wat wordt er gemist, wat kan er gemist worden? Zekerheid? Waarborgen voor geluk en zin? Zinvolheid? Geborgenheid? Het paradijs? Overvloed en gelukzaligheid? Een oersituatie waarin voor alles gezorgd wordt?  Een totale verzorging? Ik geloof dat wij het niet in deze richting moeten zoeken: wel een streven naar een 'bepaalde zekerheid’, en' zinvolheid' maar niet een statische toestand van volledige passiviteit - verzorgd worden. Zonder uitdaging verkommert de geest - sterft ons bewustzijn af. Begeerte en uitdaging hangen samen, verlangen om grenzen te overstijgen, het 'nieuwe' te ontdekken, deel te nemen aan iets buiten je, nieuwe werkelijkheden te ontdekken omdat wij ergens een idee hebben dat ze er zijn. Ze zijn denkbaar waarom dan ook niet leefbaar, beleefbaar? Is het zo dat wij een immanente verklaring moeten zoeken voor de begeerte, of is haar kern transcendent? Wordt zij van elders uitgevoerd, gedragen, ingevuld, verwerkelijkt? Moeten wij de factor God inbrengen om de begeerte te verklaren: en welke rol speelt die God dan? Ik vermoed dat de menselijke begeerte puur menselijk is en geen goddelijke oorsprong heeft. Dat laatste zou trouwens een vermindering van de menselijke verantwoordelijkheid betekenen, een niet serieus nemen van deze verantwoordelijkheid.

Misschien moeten wij wel stellen dat de begeerte er is, net zoals het bewustzijn er is. Wij kunnen slechts vanuit dit iconisch model bewustzijn, begeerte, over hetzelfde praten. Maar een exacte invulling en een waarom zijn vanuit deze positie niet te beantwoorden. Natuurlijk zijn in de geschiedenis diverse antwoorden gegeven maar het is hier niet de plaats om deze antwoorden te onderzoeken. In dit stadium leggen wij ons neer bij het feit dat het waarom van de begeerte een waarom zal blijven. Wij constateren alleen dat er zoiets als een begeerte 'bestaat. In het totalitaire karakter van het model drukt zich ook een begeerté uit, de begeerte om totaal te zijn. En door die begeerte is het misschien zo dat die totaliteit. Daadwerkelijk bereikt wordt.

De kunst en het iconisch model.

Een kunstvoorwerp is eigenlijk een replica van een iconisch model. Het kan zelfs meerdere modellen verwoorden – bevatten. In het hoofd, bewustzijn, buik, van de kunstenaar ontstaat het object: zijn handen voeren het dan uit (aarzelend -of met krachtige zekere grepen). Zijn handen tekenen na wat in het bewustzijn (expliciet  -impliciet) aanwezig is. In het product komt zowel iets van de beleving van de werkelijkheid naar voren zoals deze door alle mensen ervaren wordt via de bekende kanalen, als wel duiken er nieuwe gezichtspunten, houdingen -t.a.v. de omgang met de werkelijkheid en de werkelijkheid zelf op.

De mate van herkenning bij de toeschouwer van het product is afhankelijk van zijn iconische modellen en de bereidheid deze modellen niet star te hanteren, maar ze uit zichzelf te laten spreken – leven – werken - veranderen.

Zich overgeven aan het kunstwerk. Het kunstwerk laten zijn en spreken zonder commentaar. Goede kunstwerken vervullen deze taak, zij spreken uit zichzelf en in hun ‘iconiciteit’ transcenderen zij de tot nu toe bekende iconische modellen van de werkelijkheid.

In feite is elk product van menselijk handelen een iconisch model en de neerslag van iconische modellen, alleen is het de gewenning en vanzelfsprekendheid ervan die ons niet aanzet tot het stellen van vragen en tot het uiten van verwondering. De verwondering laten inkapselen door het leven en de zorgen van alledag is een vorm van starheid en bekrompenheid. De  kunstenaar heeft hier een taak om de verwondering uit die inkapseling los te maken. Hij kan dit doen door het product op een andere en 'nieuwe’ wijze te presenteren zodat het shockeert of verwondering oproept.

FOTAGES.

Fotage noem ik hier het werk waarin gebruik wordt gemaakt van foto’s binnen het kader van een compositie, op papier of anders, als onderdeel van een collage of schilderij. De fotage plaatst de oorspronkelijke afbeelding in een nieuwe context. Fotages zouden in dit proces zoals boven beschreven een bijzondere plaats kunnen innemen omdat zij als geen ander de toeschouwer ervan bewust maken dat zijn werkelijkheidsverstaan plaatsvindt en verwoord wordt via iconische modellen. Een fotage is zelf zulk model, maar door het gebruik van foto’s (die afbeeldingen – verbeeldingen – modellen - ‘icons’ zijn van de werkelijkheid) en de herschikking van beeldelementen, de toepassing van patronen en kleuren, en de gehele presentatie als 'kunstobject’ met een ‘doel’, een 'bedoeling’ een ‘intentie’ van de kunstenaar, kan de fotage iets bij de toeschouwer losmaken waardoor deze zijn eigen iconische modellen leert ervaren. Zo gauw de toeschouwer door heeft dat er andere mogelijkheden zijn om naar de werkelijkheid te kijken via het hulpmiddel van de kunst en het kunstobject, dan is het doel bereikt en kan het ‘kunstwerk’ een plaats krijgen in het leven van de toeschouwer. Deze ervaring moet hij echter eerst doormaken. Een fotage kan hem hierbij op weg helpen. In die zin is de fotage geen doel in zichzelf maar hulpmiddel. Anderzijds, wil de fotage werken door het iconische model van de toeschouwer de aanzet tot verandering van werkelijkheidsbeleving aan te reiken, dan moet de fotage een dimensie hebben die niet met een iconisch model volledig te verklaren en te interpreteren is. En deze kwalitatieve ‘omslag’, dit transcendente karakter van de fotage, bestaat niet uit een veelheid of oneindigheid van interpretaties. De kwaliteit bestaat mijns inziens in een moment van het object dat niet te interpreteren valt, een factor die geen enkele  interpretatie toelaat omdat elke interpretatie tekort schiet. Het kunstwerk overweldigt. Dit laatste vormt natuurlijk de grootste uitdaging voor de kunstenaar: hier is geen sprake meer van manipulatie. Elke manipulatie of het bewust proberen te bereiken van dit effect valt door de mand, Gekunsteldheid i.p.v.'natuurlijke vanzelfsprekende schoonheid, immanentie i.p.v. transcendentie. Hoe slaagt de kunstenaar erin om deze transcendentie in zijn werk te bereiken?

  • Ten eerste zal hij deze niet kunnen manipuleren.

  • Ten tweede heeft  transcendentie te maken met overgave en het bewandelen van de weg tot op het einde: het gaat om het wandelen, niet zozeer om het doel.

  • Ten derde moet de kunstenaar zich ten taak stellen: een opdracht en in deze opdracht kan zich de mogelijkheid voordoen dat hij zijn grenzen overstijgt en dat dit zijn neerslag heeft op het product wat hij achterlaat.

  • Ten vierde moet de kunstenaar een juiste opdracht kiezen d.w.z. een opdracht die de grenzen van de immanentie aftast op zoek naar een doorgang. Of anders geformuleerd: wat is werkelijkheid?

  • Ten vijfde is elk eigenbelang uit den boze zeer daar waar eigenbelang verwisseld wordt met het product.

  • Ten zesde is elke methode een slag in de lucht. Het gaat om de inzet en de overtuiging.

 


FOTAGES.

Wahrnehmung: Wasser der Gedanken.

La percepción es concepción agua de pensamientos

Fotages: opnieuw gestolde betekenis -gesmolten oude stolsels in een nieuwe betekenis. Elke foto is een stukje werkelijkheid: de foto beeldt een stukje werkelijkheid af en zij is zelf een stukje werkelijkheid. In de foto ligt dat stukje werkelijkheid vast. Veranderlijk is slechts de interpretatie van dat stukje werkelijkheid, d.w.z. de betekenis die dat stukje voor ons heeft, gehad heeft of nog kan krijgen. Tijd en betekenis gaan samen binnen een ruimte: tijdsruimte en leefruimte, die binnen een tijdsruimte afloopt; de tijd (ruimte) is voor ons denken van belang: wij denken achter elkaar; de leefruimte is voor ons leven van belang: wij leven in een ruimte (huis, wijk, straat, stad, land, wereld, kosmos), (en van moment tot moment). Een foto is een fragment dat tijd - en leefruimte vasthoudt in een enkel beeld, in een fractie, een beperkte ruimte, namelijk een deel van een groter ruimtegeheel. Aan elke foto kleeft een interpretatie, d.w.z. interpretaties (want een interpretatie is de inhoud zelf en een inhoud die uit zichzelf spreekt heeft geen interpretatie nodig). Over die interpretaties bestaat (vaak geen)(bepaalde) consensus; over interpretaties valt te discussiëren -er is communicatie. Door de foto op te nemen in een nieuw verband, d.w.z. in een andere ordeningssamenhang -een andere configuratie -ontstaat er een  vervreemdende dynamiek: de foto is losgerukt uit de interpretatiesamenhang waarin hij spontaan was opgenomen en waarin hij spontaan werd verwerkt door de toeschouwer. De vraag duikt op: wat moet deze foto in dit verband - wat wil zij uitdrukken - wat zegt deze foto. Uit de vertrouwde omgeving verdwenen, de “biotoop” waarin de foto fungeerde, krijgt deze foto iets vreemds omdat zij niet meteen inpasbaar is in vertrouwde interpretatieketens. Precies de kleine verandering waarmee de foto uit zijn vertrouwde context is gerukt en in een andere wordt geplaatst kan de aanzet vormen voor een andere kijk op onze omgang met de werkelijkheid.

WERKWIJZE.

Door gebruikmaking van fotomateriaal, waarbij in principe elke foto wordt benut, wordt geprobeerd een eigentijds antwoord te formuleren op de hedendaagse cultuur die gekarakteriseerd kan worden als een beeldcultuur: een cultuur die in haar wezen op uitbeelding - verbeelding gericht is. Uitbeelding - verbeelding als voornaamste cultuuruiting, of als uiting die de meeste aandacht en energie opeist van de cultuurdeelnemers, kan worden omschreven als een beweging naar buiten. Een veruiterlijking van waarden, idealen en doelen. Leven vindt plaats aan de buitenkant van onze persoon, de toonbare zichtbare en veranderbare kant. Wij maken kennis met deze zichtbare werkelijkheid door datgene wat ons ervan getoond wordt via de media, de fotografie én datgene wat wij zelf als werkelijkheid creëren.

Onze gedachten en onze handelingen worden bepaald en gestuurd door de beelden in ons hoofd (concepten) -de beelden in ons hoofd leren wij kennen door ermee vertrouwd te raken. Een cultuur die het beeld tot centrum van actie en 'contemplatie’ maakt kweekt beeldgerichte mensen. Beelden liggen veelal vast, of ontvangen een interpretatie die min of meer met een bepaalde consensus overeenkomt: een consensus die aan verwachtingen ontspruit -verwachtingen die door een begeerte worden ingegeven -mogelijkheden die binnen deze consensus te verwerkelijken zijne Daarbij wordt de afstand tussen verwachting en werkelijkheid (bereikbaarheid) kunstmatig "gecultiveerd” en in stand  gehouden opdat de mensen nog iets te verwachten, te hopen, iets om naar te streven, te hebben.

Beelden in de vorm van foto's zijn fragmentarische en vastgelegde 'oordelen' over de werkelijkheid die men op een bepaald moment (plaats en tijd) had. De fotocamera ziet anders dan het menselijke oog: bij een foto is er geen sprake van de blik -(de motivatie-intentie achter de perceptie) -bij een foto valt er alleen licht op een gevoelige film waardoor een afdruk ontstaat. In de menselijke waarneming wordt de werkelijkheid in en door de waarneming geproduceerd. In elke waarneming zijn alle waarnemingsmogelijkheden verborgen: de grondvorm van-het-in-de-wereld" zijn, of het "ertussen” zijn (inter-esse), en het zo met de dingen omgaan dat hun mogelijkheden naar voren komen. In het knooppunt van mogelijkheid en onmogelijkheid leeft de mens.

Aan foto’s valt af te lezen: de inhoud van het gepresenteerde beeld én via associaties wordt het afgebeelde opgenomen in waarnemingsketens, d.w.z. vaste patronen, structuren die via inhoud en vorm onze waarneming méébepalen of voorstructureren. Foto's worden gepresenteerd in een context en dienen ter verduidelijking, ter illustratie of hebben een eigen waarde (niet functioneel) als kunstobject. Nog los van functionaliteit, esthetica en andere gezichtspunten ten aanzien van de foto kan worden gesteld dat een foto zowel een afdruk is van een stuk werkelijkheid, als wel een nieuw stuk werkelijkheid verbeeldt (afbeeldt). De foto als een van de hoogtepunten van de beeldcultuur (film als  aaneenschakeling van beelden en/of foto’s) verenigt in zichzelf de paradox: een weergave van een stuk werkelijkheid én tegelijk het aantonen van het  vervreemdende ten aanzien van de door ons (zelf) ervaren werkelijkheid.

Het gebruikmaken van fotomateriaal, d.w.z. alles wat een beeldgerichte cultuur ons in handen speelt, elke foto die wij in handen krijgen, vormt onderdeel van een zoektocht naar de verborgen betekenissen die ook in de foto, de afbeelding van het stuk werkelijkheid, aanwezig zijn. Elke cultuur draagt zijn waarden en inhouden uit via het medium van de taal en het beeld. In onze cultuur krijgt (ook) het beeld extreme aandacht omdat het beeld een andere dimensie heeft dan het woord (beeldtaal). Op dit verschil gaan wij nu niet nader in. Wij beperken ons tot het beeld, en het beeld in de vorm van een foto.

In een foto worden betekenissen overgedragen, opgeroepen, duidelijk gemaakt en een anticipatie vindt plaats op datgene wat als algemene consensus geldt. In een hondenboek staan foto's over honden. Gebruik je nu die foto's over honden in een totaal andere context dan wordt met behulp van de betekenis hond (foto van een hond) getracht de toeschouwer gevoelig te maken voor een andere dimensie (betekenis) van de werkelijkheid (zoals hij gewend is waar te nemen~ Waaruit bestaat' die andere dimensie? Dat is een kwestie van associatie - elke interpretatie voegt in feite iets toe - elke interpretatie vormt een kwalitatief element in de omgang met de werkelijkheid: een interpretatie is een schaakpartij -als ze lukt hebben beiden gewonnen: de zin en de mens.

Het waarnemen van en andere dimensie achter, onder, in de dingen (de dingen ervaren zoals men ze tot nu toe nog niet gezien heeft) kan een bijdrage leveren aan een andere mannier, een minder starre dogmatische wijze, van omgaan met de werkelijkheid. In de (‘fototage’) fotage wordt een zoektocht ondernomen naar andere betekenissen - betekenissen die er reeds impliciet zijn omdat in principe de werkelijkheid oneindig is voor onze geest: elke associatie -elk verband -elke betekenis is mogelijk. De kunstenaar neemt de toeschouwer mee op deze reis. Deze reis kan tevens een poging zijn om de grenzen van de betekenisgeving te verkennen: welke betekenis wordt er gegeven in de kern van onze perceptie; en als er een kern van perceptie is zijn er ook buitenkant en randen van de perceptie. Is de betekenis aan de randen dezelfde als in de kern: dit intellectueel spel, deze zoektocht naar wat perceptie is, perceptie in verband met betekenis - werkelijkheid - oneindigheid, wordt in het hergebruik van de foto uitgedrukt.De foto in een nieuwe context opgenomen: een nieuwe betekenis ontstaat hier. In de waarnemingsblik (actief) speelt de intentie de grootste rol -zij draagt de waarneming (passief): een foto is eigenlijk een dode getuige: een overblijfsel, een rest, een ding -en als ding wordt het opgenomen om doormiddel van zijn 'dingachtigheid’, (‘dingachtigheid’ die de pretentie heeft een beeld van de werkelijkheid –(één beeld) -te zijn voor de mens) de mogelijkheid - onmogelijkheid van onze perceptie te verkennen.

De mens leeft binnen de mogelijkheid - onmogelijkheid van de omgang met de dingen en ook op het niveau van het menselijk contact speelt die spanning tussen mogelijkheid - onmogelijkheid een grote rol. De mens is ingeklemd tussen beiden en een invulling van een"Uiterste” positie leidt onherroepelijk tot een statische situatie - ofwel de dood.

notities:

 

Ø       perceptie als prise en surprise. (Husserl-Schopenhauer)

Ø       de entelechie achter de perceptie. (zie Castaneda)

Ø       begrijpen-bemachtigen-verstaan-waarnemen-ontvangen-kijken.

Ø       De attentionaliteit en de intentionaliteit. (Rombach)

Ø       De innerlijke dialoog: aspectiviteit-reflexiviteit-afschaduwing van de waarneming: slechts vanuit perspectief is er waarneming mogelijk: de waarneming geeft werkelijkheid (niet de idee erachter) ook het subject is resultaat-konstituut van de waarneming.

Ø       Opnemen is productiever als produceren. Waarnemen is slechts mogelijk in waarnemingsketens: protentionen (verwachtingen) retentionen (herinneringen) Gestalt-motivatie-horizontaal-vertikaal.

Ø       De horizon die in zichzelf gestructureerd is: constitutie van een waarnemingsveld: constitutieve voorwaarden voor de “akt” van de waarneming. Waarnemingsvelden: grondvormen van de wereldervaring.

Ø       Waarnemen als produceren, scheppen, en het gevaar van ideologisering. Waarnemingsgeloof, de autarkie van de waarneming t.a.v. denken en voelen, geest en inzicht.

Ø       Metaforisch potentiaal, betekenisgeving, begeerte in de waarneming, voorstelling, instelling, conventies, interpretatie.

Ø       Vervorming van een situatie: het nieuwe ontstaat vaak zo. Zin breekt af als de interpretatietrap afbreekt; of loopt vast als interpretatietrap boven of beneden wordt afgesloten met invulling, die geen verdere stijging of daling meer toelaat. Hoe vaster de zin hoe moeilijker het beleven van zin wordt. Interpretatie vindt niet plaats door mijn mening, maar door situaties.

Ø       Men leeft in 'de omstandigheden van een situatie: concentriciteit van de situatie: situaties in situaties...

Ø       Kern en randen van de perceptie. Actief en passief. Dualismen. Paradoxen.

Ø       Dynamiek, statisch, recept, concept, percept, totalitair potentiaal: ordening,  chaos, weg, doel, oneindigheid en eindigheid. Kwalitatief verschil (positief en negatief)

Ø       Contrast-waarneming: fotage is trucage in de werkelijkheid met elementen hieruit opdat, omdat wij vaste betekenissen hebben gekoppeld aan elementen, deze vaste betekenissen leren bevragen. De werkelijkheid staat namelijk niet onomstotelijk vast. Ons alledaags bewustzijn is niet hetzelfde als werkelijkheid: toch gedragen wij ons elke dag ernaar.

Ø       Waarnemen slechts door contrastervaring mogelijk: zonder contrast geen realiteit. Als er geen contrasten waren geen verschillen. Alles zou hetzelfde zijn: zonder eindigheid geen leven. Het contrast is het kenmerk van de eindigheid en omgekeerd. Zonder dood zou er geen leven zijn!' Oneindigheid verdraagt niets naast zich, is absoluut, is absoluut leeg en zelfs dat ook niet -oneindigheid is een functie in de ware zin van het woord: in de beperking wordt het leven pas mogelijk –zelfde geldt voor taal en beeld.

Ø       Laat de beperking zien en vul aan, vul in, maar probeer niet de beperking te overwinnen in een vals streven naar oneindigheid. Zelfs de waanzin is niet oneindig -al lijkt hij wel in de buurt te komen: kosmische waanzin (dit gaat elk begrip te boven).

 

 

(Naschrift)

·          Morfologie bewustzijn:

·          Bewustzijnsstructuur: kader en inhoud

·          bewustzijnsvorm

·          bewustzijnsgraad

·          bewustzijn en perceptie (v.d. werkelijkheid die altijd mijn werkelijkheid is)

·          bewustzijn en differentiaties in betrokkenheid op werkelijkheid

·          niet-bewustzijn

·          bewustzijn als mediale kracht/medium lichamelijkheid en werkelijkheid buiten het lichaam

·          bewustzijn en dosering/perspectief/horizon/spanningsverhouding/sleutelfunktie

·          cognitieve kaarten-cognitieve waarden-conceptie(receptie)

·          iconische modellen

·          iconische modellen: expliciet-impliciet/bewust-niet bewust

·          associatiesamenhang-similariteit m.b.t. 'icon'

·          iconiciteit

·          iconisch -iconologisch -iconologie

·          metaforisch potentiaal

·          paradigmatisch potentiaal

·          totalitair potentiaal

·          dynamiek van iconisch model -vertaktheid -onderlinge samenhang

·          functie geheugen en iconisch model

·          verdringingsmechanismen -iconisch model van vertrouwen-angst en hun onderlinge wisselwerking en bepaling

·          begeerte achter het iconisch model en de instandhouding ervan -motivatie model

·          centripetaal-centrifugaal -kwalitatieve omslag

·          het kunstvoorwerp als verwoording van iconisch model(len)

·          het transcenderende karakter van het iconisch model en het kunstwerk

·          de verhouding immanentie-transcendentie

·          conceptie( concept) perceptie (percept) receptie(recept)

·          actieve-passieve perceptie

·          waar-nemen/voor waar nemen/Nehmen bei Etwas

·          percevoir (per-capere) comprendre sens et expression/ la prises greep/appréhendre

·          saisir à/aggripper/s'emparer de: bemachtigen

·          perception als prise en als surprise

·          signification

·          perceptie vanuit een energetisch standpunt -entelechie

·          Begeerte-passiones animae

·          amor-odium

·          desiderium-fuga

·          deléotatio-tristitia (concupisciblen)

·          spes-desperatio

·          audacia-timor(irasciblen)

·          Intentio achter perceptie

·          waarnemingszin/intentie/horizon/veld/gewaarworden/denken/causaliteit

·          sensualisme en perceptie

 

  • waarneming: extraniteit, objectiviteit, zelfgeloof, exclusiviteit, schaduwwerking en zelf-korrektie, reflexiviteit; waarnemingsruimte.  Elke waarneming is in zichzelf gedubbeld: horen en luisteren, zien en schouwen, voelen en tasten etc.

  • “Das konstitutive Bedingungsverhältnis zwischen Reflexivität und Abschattung liegt darin, dass die Differenzierungen von Sache und Hintergrund direkt an die Differenzierungen von Abschattung und Sache gebunden ist." Het feit dat in alle afschaduwingen de zaak zelf verschijnt heeft te maken met het feit dat de waarneming niet alleen ziet, maar ook zichzelf ziet zien!

  • "Das die Aspektivität erbringende ‘Miterfassen' ist der Reflexionsprozess in der Wahrnehmung selbst, durch den, wie gezeigt, überhaupt erst etwas, als etwas wahrgenommen werden kann." Met andere woorden zou je hier ook kunnen spreken van een innerlijke dialoog' die onze perceptie begeleidt. "Sowie die Reflexion der ‘Grund’ des Wahrnehmens ist, so ist das in ihr zu erscheinung kommende Ding der ‘Grund ' der Erscheinungen."

  • Het ware van de waarneming wordt pas mogelijk door de reflectie van de waarneming zelf. Opmerkzaamheid ontstaat hierdoor in waarnemingsakt. De 'blikwending' onderschrijft dit gebeuren: het onderscheid tussen veld en object, zien en kijken, wordt verondersteld, waarin een object een attentionaliteit ontvangt. In de waarneming horen intentionaliteit en attentionaliteit bijeen. Een waarnemings-intentionaliteit kan slechts tot stand komen als een  belevenisattentie plaatsvindt, een innerlijke ‘achting’ (oppassen) (aandacht geven aan) van het beleven op zichzelf en op zijn mogelijkheidsvoorwaarden. Toename van de attentie gaat gepaard met toename van de intentie.

  • De aspectiviteit van de waarneming: zien dat men ziet is zien wat men ziet. Hoe meer reflectie , hoe meer objectiviteit. Waarnemen wil zeggen reeds altijd handelen. Perspectiviteit is het realisme van de waarneming. De intensiteitgraad van de attentionaliteit komt overeen met de nadruk van de zaak/ding t.a.v. zijn achtergrond; en nadruk van het ding t.a.v. zijn verschijning: de waarneming impliceert een ding-ontologie d.w.z. op één soort werkelijkheid gericht -ding is hier een exact bepaald zijnde uit de waarnemingswereld. Het ding verschijnt doorheen zijn aspecten en alléén door deze.

  • "Eine sich gleichmässig durchhaltende Abgesetzheit nennem wir Perspective". Hier openbaart zich een paradoxale struktuur: het ding is slechts onder de perspectiviteit kenbaar en deze werkelijkheid geldt in het waarnemingsfenomeen. Het perspectief doet het ding oplichten in een bepaald licht; het werkelijkheidsmoment en de realiteitsdichtheid worden beleefd doordat het het meeste onttrokken is aan de waarneming.

  • "Die Wahrnehmung erhält gerade durch die Beschränktheit der Perspektive und durch das zu dieser Beschränktheit unmittelbar gehörige , ja sie geradezu ausmachende tranzendentale Undsoweiter dem Realitätscharakter, der zur Wahrnehmungswelt und somit auch zum einzelnen Ding gehört."

  • Het is de waarneming zelf die de werkelijkheid geeft en niet het idee erachter. Het zelfbewustzijn is de motivatiesamenhang van het bewustzijn. “Die Tatsache zu begreifen dass nicht nur das Objekt sondern auch das Subjekt ein Konstitut,  ein Hervorbringungsresultat des Phänomens der Wahrnehmung ist, bedeutet den Eintritt in die Phänomenologie".

  • “Man muss im Wahrnehmungsgeschehen drin sein um überhaupt nur eine Wahrnehmung in voller Reflexivität und Objektivität realisieren zu können. Aufnehmen ist produktiver als Produzieren. Wahrnehmen ist nur möglich in Wahrnehmungsketten (de samenhang ontstaat uit de waarnemingen zelf en ook de kracht daarvoor) Jede Wahrnehmung produziert Protentionen, Vorauserwartungen bestimmter Art."

  • (De volgende waarneming bevestigt of ontkent deze verwachtingen - profileert deze en dit bepaalt de stroom in het bewustzijn). De waarneming is niet in het bewustzijn opgesloten of de inhoud ervan, maar het bewustzijn constitueert zich in de waarneming. Het subject van de waarneming ontstaat uit de waarneming, niet de waarneming in het subject.

  • Retentie in de waarneming: "Sie enthält immer auch inhaltliche  Bedeutungsstücke des vorausgegangen Wahrnehmung."

  • De waarneming houdt in wezenlijke trekken vast aan de voorafgaande waarneming, nl. die waarnemingen die voor de motivationele samenhang van de hele waarneming van belang zijn. De ‘gestalt’ in de waarneming: ‘figuur en basis’ vormen zich. De horizontale heelheidsfiguur ‘gestalt' wordt door de vertikale heelheidsfiguur  ‘motivatie' ondernomen, voorbereid en mogelijk gemaakt. Ons beleven is veelzijdig, veelstemmig, oppervlakte en dieptebelevenissen.

  • Meer elementair dan de psychische gestalte is de sequentie van het beleven, de consequentie van het persoonlijke leven. Het ontstaan hiervan is een prestatie van “Protention und Retention" in de waarneming met protentie en retentie zijn de waarnemingen in elkaar gevlochten. Hoe sterker de actieve productie van de waarneming hoe verder de uitstrekking en hoe vollediger de  waarnemingsinhouden (die ook voor later nog bereikbaar zijn).

  • Het waarnemingsveld is een horizon die in zichzelf gestructureerd is. Het is zo aangelegd dat de protentionaal verwachte waarnemingen ingeschreven kunnen worden, (het veld is bewerkt door waarnemingen) .De constitutie van een waarnemingssveld: kwaliteiten bevattend en plaatsen van voorkeur waardoor nieuwe waarnemingen mogelijk worden. De grote tijdperken van de kunst zijn identiek met de ontdekking van bepaalde waarnemingsvelden.

  • “Wahrnehmungsfelder sind konstitutive Bedingungen eines jeden Wahrnehmungsaktes. Dabei sind die Wahrnehmungsqualitäten nur die Stellenwerte des Wahrnehmungsfeldes und so ergibt es sich, das unvergleichlich mehr Wahrnehmungsqualitäten (principieel oneindig) möglich sind, als es eine Äusserliche Wahrnehmungstheorie wahrhaben möchte."

  • Onze waarneming is historisch (niet alleen m.b.t de optiek, ook de akoestiek etc.) Het sensorium van de mens is niet vastgelegd. Elke kwaliteit kan in elk zinbereik overgedragen worden en daar een (analoge) directe realiteit aannamen. (Een waarnemingsveld om de kwaliteiten te proeven: als de fantasie ontbreekt zijn er geen kwaliteiten maar ook geen feiten zichtbaar in het ontworpen waarnemingsveld) Wie niet over iets van fantasie beschikt heeft geen kans om een realist te worden. Waarnemingsvelden zijn de grondvormen van de wereldervaring. Ze hebben een structuur en hieraan ligt het dat waarnemen ook altijd een vorm van oriëntatie is. Een gedesoriënteerde neemt niets meer waar.

  • Waarnemen volgt niet alleen uit de dubbelspanning van gestalte en achtergrond, maar de achtergrond heeft zijn eigen gestalte en structuur. Blinde vlekken. Ik ben waarnemend betrokken in de werkelijkheid en niet tot haar bemiddeld.

  • Er bestaan geen losse ‘waarnemingskwaliteiten’, de mens is er steeds helemaal in betrokken. Het waarnemen heeft een grondstructuur die zich in alle waarnemingen herhaalt; in elke waarneming zijn alle waarnemingsmogelijkheden verborgen/opgesloten. Op de een of andere manier beleeft de mens steeds hetzelfde. De grond-vorm van het zich in de wereld bevinden het ertussen zijn, (of inter-esse). Zo met de dingen omgaan dat wij hun mogelijkheden naar voren laten komen. De mens brengt zichzelf onder in het innerlijk van het ding en hij verbindt de mogelijkheden van do dingen met elkaar. In deze knooppunten van mogelijkheden en onmogelijkheden leeft hij. Omdat de wereld hem dingmatig tegemoet treedt kan de mens existerend in deze zich inleven.

  • "Das Annehmen eröffnungsbereiter Möglichkeiten im Zusammenhang eines sich

  • bewahrheitenden Geflechts von Widerstand und Lösung ist das, was wir ursprunglich mit Wahrnehmen meinen. Etwas ins Wahre einer von sich aus aufgehende Helle hineinnehmen, dies eben ist Wahrnehmen." "Wahrnehmen als hervor-bringen"

  • In een vulgaire waarnemingstheorie wordt het omgekeerde voorgesteld. Van buiten naar binnen toe zou de waarneming plaatsvinden. Een deel neemt dan de plaats in van het geheel; "nur-noch-ansehen" hier. Met als gevolg: "Etwas nachträgliches behauptet sich als die Sache selbst."

  • De mens treedt in het middelpunt van de belangstelling en het gebeuren wordt van de gemakkelijkste en meest toegankelijke kant bekeken. Hierin ligt een verleiding en een mogelijkheid tot pervertering van de waarneming. De  gelegenheid, mogelijkheid en plicht van het waarnemen wijzen op de oorspronkelijke zin van het begrip: nl. waarnemen van het geheel - de openheid ervan en het laten zien dat de mens in de wereld moet worden waargenomen en niet de wereld in de mens; (dit laatste is slechts deelaspect en van minder belang; het mag zeker niet als voornaamste kenmerk van de waarneming gelden).

  • Waarnemingsdimensies: sterke en principieel gedifferentieerde  waarnemingsvelden met een dieptedimensie (tot in de genetische code verinnerlijkt). Negatieve en positieve diepte-ervaringen die meespreken in gewone ervaringen. De waarneming is meer-dimensionaal en zij speelt altijd het hele dimensieklavier uit. Elke waarneming is ook waarderend: ze is  geïnteresseerd en geëngageerd en heeft altijd al gekozen voor een deel van het waarnemingsveld. In concrete worden de mensen met de aan hun toegeschreven betekenissen geïdentificeerd.

  • De waarneming heeft naast de behoefte tot verhoging ook de fatale tendens haar dimensie te verabsoluteren en volgens een innerlijke ideologie verdere resultaten voor onmogelijk te houden. Elke waarneming is met zichzelf tevreden, vervalt automatisch tot haar waarnemingsgeloof. Zo blijft verborgen dat moeilijkere en ‘hogere' waarnemingspogingen scheppend mogelijk zijn - nieuwe dimensies die kunnen worden toegevoegd: de grootste fout van de ideologieën is dat de fenomenen in hun genivelleerde vorm gedacht worden i.p.v. in hun essentiële ‘verhogingsmogelijkheden'; d.w.z. in een gelijkmatige wereld waarin elk ding zijn plaats inneemt waaraan het zelf geen schuld draagt. Zo ziet de waarneming zichzelf volgens haar ideologie, als onderste kennisvermogen (cognitio inferior) dat op denken, geest en inzicht aangewezen is en blijft. De waarneming is echter autark. Zij constitueert alle momenten in zichzelf die tot haar mogelijkheden behoren. Het fenomenale van het fenomeen ligt hierin dat het zijn bepalingen in zichzelf constitueert. Het gaat erom het fenomeen als fenomeen te begrijpen en niet als een iets van iets anders in het subject of in de existentie. Elk fenomeen heeft zijn eigen autonomie en autogenese.

  • Bij elke waarnemingsactiviteit hoort een bepaalde voorwerptypering en subjecttypering, Bepaalde waarnemingen veronderstellen bepaalde ik-vormen; de wisselwerking van ik-vormen is een wisselwerking van het bewustzijn - een verandering van het bewustzijn. De mens bestaat uit veel-stemmige meervoudige ik-vormen die kunnen wisselen en met elkaar in tegenspraak kunnen zijn.

Vgl. H. Rombach, Phänomenologie des gegenwärtigen Bewusstseins

“Das Einfachste und Nächste ist schwer zu sehen: die Einmaligkeit, Undatiertheit und Totalität unseres Vorhandenseins."

J.Hacking 10-10-1988 Heerlen

 

 

PERCEPTIE IS CONCEPTIE

 

“HUMAN KIND CANNOT BEAR VERY MUCH REALITY' 

uit T.S. Eliot, Four Quartets, the complete poems and plays of T.S. Eliot, London (1969) 1975,172

 

A. Schopenhauer: "Die Welt ist meine Vorstellung" - dies ist eine Wahrheit, welche in Beziehung auf jedes lebende und erkennende Wesen gilt; wiewohl der Mensch allein sie in das reflektierte abstrakte Bewusstsein bringen kann: und tut er dies wirklich, so ist die philosophische Besonnenheit bei ihm eingetreten. Es wird ihm deutlich und gewiss, dass er keine Sonne kennt und keine Erde; sondern immer nur ein Auge, das eine Sonne sieht, eine Hand, die eine Erde fühlt; dass die Welt, welche ihn umgibt, nur als Vorstellung da ist, d.h. durchweg nur in Beziehung auf ein anderes, das Vorstellende, welches er selbst ist.”

“Wenn irgendeine Wahrheit a priori ausgesprochen werden kann, so ist es diese: denn sie ist die Ausssage derjenigen Form aller möglichen und erdenklichen Erfahrung, welche allgemeiner als alle andern, als Zeit, Raum und Kausalität ist: denn alle diese setzen jene eben schon voraus...”

“Keine Wahrheit ist also gewisser, von allen anderen unabhängiger und eines Beweises weniger bedürftig, als diese, dass alles, was für die Erkenntnis da ist, also diese ganze Welt, nur Objekt in Beziehung auf das Subjekt ist, Anschauung des Anschauenden, mit einem Wort, Vorstellung. ...Alles was irgend zur Welt gehört und gehören kann, ist unausweichbar mit diesem Bedingtsein durch das Subjekt behaftet, und ist nur fur das Subjekt da. Die Welt ist Vorstellung...”

Wij kunnen ons, aldus Schopenhauer, niet meer onttrekken aan deze waarheid dat de wereld voorstelling is, doch eenzijdig en abstract, roept deze waarheid wrevel op en kondigt reeds een diepere waarheid aan die de wereld als voorstelling aanvult en mede bevat: "Die Welt ist mein Wille!”.

De wereld als voorstelling, alléén maar als voorstelling, en is het de moeite om er dan bij stil blijven te staan - een voorstelling kan een idee-fixe zijn, een droomgestalte etc. En bestaat er nog iets buiten die voorstelling, (werkelijkheid eronder).. dus wat of welke 'werkelijkheid schuilt er achter de voorstelling -wat is dat wat voorgesteld wordt; heeft dat existentie. Men kan slechts,volgens Schopenhauer,tot het wezen doordringen van wat voorgesteld wordt (van het ding -het object voor mij) als men het standpunt verlegt, namelijk door niet uit te gaan van datgene wat voorstelt, maar van dat wat voorgesteld wordt. En dat is slechts bij een ding mogelijk, wat namelijk ook van binnenuit toegankelijk is en daarom ook op tweevoudige wijze gegeven is: het eigen lichaam, dat in de objectieve wereld als voorstelling in de ruimte staat, maar tegelijk zich aan het eigen zelfbewustzijn als wil presenteert. Deze weg vanuit het eigen lichaam, analogisch overgedragen op de dingen om zich heen, d.w.z. zodat de dingen gekend worden in hun wezen, dat wil zeggen hen niet alleen als voorstelling (of substraat van voorstelling) te beschouwen maar ook vanuit het bewustzijn van de dingen zelf.

“Es ist dem als Individuum erscheinenden Subjekt des Erkennes das Wort des Rätsels gegeben, und dieses Wort heisst Wille. Dieses, und dieses alle in Subjekt gibt ihm den Schlussel zu seiner eigenen Erscheinung, offenbart ihm die Bedeutung, zeigt ihm das innere Getriebe seines Wesens, seines Tuns, seiner Bewegungen. Dem Subjekt des Erkennens, welches durch seine Identität mit dem Leibe als Individuurn auftritt, ist dieser Leib auf zwei ganz verschiedene Weise gegeben: einmal als Vorstellung in verständiger Anschauung, als Objekt unter Objekten, und den Gesetzen dieser unterworfen, sodann aber auch zugleich auf eine ganz andere Weise, namlich als jenes jedem unmittelbar Bekannte, welches das Wort Wille bezeichnet. Jeder Wahre Akt seines Willens ist sofort und unausbleiblich auch eine Bewegung seines Leibes. Er kann den Akt nicht wirklich wollen, ohne zugleich wahrzunehmen, dass er als Bewegung des Leibes erscheint.”

Zonder wil zou er slechts enkel voorstelling zijn -en deze zou leeg zijn omdat ze slechts verschijning zou zijn zonder kracht –zonder wezen -zonder motivatie. Door de kracht achter elk ding en elk levend wezen, kan het werken en krijgt het 'Dasein' en deze kracht noemt Schopenhauer wil. Kennis en het intellect is niet verbonden met de wil zodanig dat de wil door de "Erkenntnis" bepaald wordt. Het is eerder omgekeerd:"Erkenntnis ist durch Wille bedingt". Als een steen zou vliegen als hij wordt gegooid en als hij bewustzijn zou hebben zou hij ervan overtuigd zijn op eigen kracht te vliegen, uit eigen wil.

“Ich betrachte das innere wesen, welches aller realen Notwendigkeit (d.i. Wirkung aus Ursache), als ihre Voraussetzung, erst Bedeutung und Gültigkeit erteilt, beim Menschen Charakter, beim Stein Qualität heisst, in beiden aber dasselbe ist, da wo es unmittelbar erkannt wird, Wille genannt, und welches im Stein den schwächsten, im Menschen den  starksten Grad der Sichtbarkeit, Objektivität, hat.”

“Was überhaupt Sinne und Verstand wahrnehmen, ist eine ganz oberflächliche Erscheinung, die das wahre und innere Wesen der Dinge unberührt lässt. Nicht die Cartesianische Einteilung aller Dinge in Geist und Materie ist die philosophische richtige; sondern die in Wille und Vorstellung is die richtige: diese aber geht mit jener keinen Schritt parallel. Denn sie vergeistigt alles, indem sie einerseits auch das dort ganz Reale und Objektive, den Körper, die Materie, in die Vorstellung verlegt, und andererseits das Wesen an sich einer jeden Erscheinung auf Willen zurückführt.

Bei mir ist das Ewige und Unzerstörbare im Menschen, welches daher auch das Lebensprinzip in ihm ausmacht, nicht die Seele, sondern, das Radikal der Seele, und dieses ist der Wille” (Radikal is hier bedoeld in zin van chemie: molekuul (atoomgroep) met een of meerdere elektronen met sterke reaktiemogelijkheden).

“Unser Selbstbewusstsein hat nicht den Raum, sondern allein die Zeit zur Form: deshalb geht unser Denken nicht wie unser Anschauen nach drei Dimensionen vor sich, sondern bloss nach einer, also auf einer Linie, ohne Breite und Tiefe. Hieraus entspringt die grösse der wesentlichen Unvolkommenheiten unseres Intellekts. Wir können nämlich alles nur sukzessive erkennen und nur Eines zur Zeit uns bewusst werden, ja auch dieses Einen nur unter der Bedingung, dass wir derweilen alles andere vergessen, also uns desselben gar nicht bewusst sind, mithin es solange aufhort, für uns dazusein. In dieser Eigenschaft ist unser Intellekt einem Teleskop mit einem sehr engen Gesichtsfelde zu vergleichen; weil eben unser Bewusstsein kein stehendes, sondern ein fliessendes ist. Der Intellekt apprehendiert nämlich nur sukzessiv und muss um-das eine zu ergreifen, das andere fahren lassen, nichts als Spuren von ihm zurücklassend, welche immer schwacher werden. Auf dieser Unvollkommenheit des Intellekts beruht das  Rhapsodische und oft Fragmentarische unseres Gedankenlaufs, und aus diesem entsteht die unvermeidliche Zerstreuung unsers Denken.”

Uit: A. Schopenhauer, Welt und Mensch. Eine Auswahl aus dem Gesamtwerk von A. Hübscher, Stuttgart 1980, 33-50

 

Josef Schmid

sechzig Jahre

alt schon

dreissig Jahre

krank schon

Schizophrenie

kein Genie

 

“Als men niet bewust is van wat men zegt -hoe zal men dan bewust zijn van wat men doet?” 

Ivo Michiels

 

De wereld als wil én voorstelling:

Deze combinatie wordt in de westerse filosofie nauwelijks serieus genomen: wel het eerste deel: wereld als voorstelling; maar niet wereld als wil. Bij Regel is er geen sprake van wil maar van geest -maar men tast eigenlijk in het donker als men het motiverende beginsel achter alles en iedereen wil verwoorden. Vandaar dat de oplossing van Schopenhauer nog niet zo slecht is en deze is mede geïnspireerd door het denken van het Boeddhisme, nl. dat alle willen uit een begeerte voortkomt -  die begeerte is ook een willen - en daarom draait de wereld (rond).

Een ander begrip voor wil zou ook ‘Absicht’ (Duits voor bedoeling –ook metafysisch) of “Intent” (Engels voor intentie, intentionaliteit van alle dingen -ook hier weer een zekere metafysiek) kunnen zijn. Het metafysische karakter van deze begrippen bestaat in het feit dat wij als mensen niet de 'bedoeling' en/of 'intentionaliteit van de dingen (en de mens zelf) kunnen doorschouwen. Hiermee zitten wij op twee of eigenlijk een spoor nl. de fenomenologie van E. Husserl en de leer van Carlos Castaneda, waarbij deze laatste de fenomenologie van Husserl te theoretisch en te weinig praktisch gericht vindt.

Het bewustzijn is volgens Husserl ‘intentioneel’, dat wil zeggen op voorwerpen gericht. Bij dit gericht zijn op hoort onlosmakelijk de intentie naar vervulling; want slechts de oorspronkelijke vervullende belevenissen geven het bewustzijn oorspronkelijke voorwerpen met een bepaalde inhoud zonder vervullingsmogelijkheid zou helemaal geen voorwerpsbewustzijn plaatsvinden.

Het voorwerp vind ik als iets dat ook buiten alle mogelijke voorwerpsvormen bestaat -het voorwerp gaat niet op in mijn voorstelling -het is meer dan slechts mijn voorstelling -en in deze zin transcendeert het voorwerp de wijzen waarop wij het kunnen voorstellen of bevatten het overstijgt mijn voorstelling. De opvatting dat het voorwerp transcendent is heeft een reden: ze kan slechts door het subjectief-situatief verschijnen van het voorwerp zelf gemotiveerd zijn. Met de analyse van deze motivatie bij de verschillende soorten van voorwerp zijn voor ons bewustzijn begint met een ander woord de constitutieanalyse. De mens is van nature op dingen (voorwerpen gericht) maar de wijze waarop dit gebeurt - plaatsvindt, blijft meestal buiten beschouwing; vandaar dat Husserl hier aandacht op vestigt om te onderzoeken hoe dit plaatsvindt. Daartoe maakt hij gebruik van de fenomenologische reflectie. Deze laat zien dat er twee grote groepen zijn van hoe de dingen - voorwerpen verschijnen; (Gegebenheitsweisen, durch die hindurch ihm die Gegensände allein erscheinen können): een voorwerp kan mij zo gegeven zijn dat ik daarbij het bewustzijn heb van een verwijzing en aangewezen zijn op andere mogelijke gegevenheden, waarin het voorwerp te beschouwen is; of het voorwerp verschijnt mij zo dichtbij die Husserl 'originariteit' noemt, "alle nicht-sachnahen, d.h. vagen, irgendwie verdeckenden oder verzerrenden, unbestimmten, mehr oder weniger inhaltsleere Vorstellungen haben, weil ihr Erlebnisgehalt das Bewusstsein nicht befriedigt, die Tendenz, sich in originären Gegebenheitsweisen des betreffenden Gegenstandes zu ‘erfüllen'; zugleich sind vom aktuell gegebenen Erlebnisgehalt her bereits Möglichkeiten vorgezeichnet, durch deren Realisierung das Bewusstsein zur Erfüllung gelangen kann."

"Die Analysen zur Konstitution müssen deshalb bei den originären Gegebenheitsweisen ansetzen, die das Bewusstsein dazu motivieren, sich Gegenstände begegnen zu lassen. Die Phänomenologie beschreibt, wie das originär erlebende Bewusstsein 'es' macht, dass sich vor ihm ein Bestand von Gegenständen aufbaut die ihm als etwas an sich Seiendes erscheinen. Die durch die Analyse sichtbar gemachte Aufbauleistung des Bewusstseins nennt Husserl Konstitution.

Die Konstitutionsanalysen beziehen sich jeweils auf einen bestimmten Gegenstandsbereich. Gezeigt wird, wie das Sein von Gegenständen einer bestimmten Art oder Gattung von Seiendem in entsprechenden Bewusstseinsleistungen zustande kommt. Den Leitfaden' für die Analysen bilden die allegemeinen Wesensstrukturen solcher Gegenstandsbereiche, also z.B. der Wahrnehmungsgegenstände, der Zahlen, der sprachlichen Bedeutungen, der Rechtsnormen, der ethischen oder sonstigen Werte usw. Die Wesenstrukturen werden erkannt durch die Methode der ‘eidetischen (d.h. auf das Eidos -das Wesen – bezüglichen) Reduktion’ mittels derer wir von den Tatsachen absehen, um auf ihre allgemeinen Bestimmungen zu achten."

In de situatie van de oorspronkelijke verschijning neem ik betrekking op de zaak - het voorwerp: het voorwerp verschijnt voor mij als iets ervaarbaars, herkenbaars, beleefbaars. Zij is voor mij oorspronkelijk gegeven en ontleent hier ook haar zin (voor mij) aan. Naast het zijn voor mij van het voorwerp is er echter ook een zijn voor zichzelf van het voorwerp wat onafhankelijk is van mij als kennende subject. Maar omdat elke ervaring, beleven, denken op situaties van oorspronkelijk verschijnen berust, veronderstelt de kennisname van voorwerpen (zoals ze ‘an sich' zouden zijn) de subjectieve - situatiegebonden oorspronkelijke gegevenheid. Hoe zijn de voorwerpen op zichzelf? Er bestaat een correlatie tussen de wijze waarop de voorwerpen zijn op zichzelf en de wijze waarop wij hen leren kennen als aan ons verschijnend. De correlatie hangt af van de conkrete wijze van het voorwerp zelf. De beide zijden van de correlatie hangen onlosmakelijk samen: het voorwerp in het hoe van zijn gegevenheid (Noema) -en daaraan corresponderend de wijze waarop wij het ervaren, beleven kennen (Noesis) in welke mij een soort van voorwerp oorspronkelijk toeschijnt en ook slechts toeschijnen kan. Ik kan niet los van deze wijze van mijn ervaren naar het voorwerp kijken: ik zie het slechts door mijn ervaren heen (vgl. Schopenhauer m.b.t. wil en lichaam).

De voorwerpen in het hoe van hun verschijnen in geordende wijzen van gegevenheden zijn de fenomenen, de verschijningen waarover de fenomenologie gaat. Dus het voorwerp zoals het is en zoals het aan ons verschijnt via ons bewustzijn: deze relatie (correlatie) staat centraal -waarbij het feitelijk bestaan en voorkomen van het voorwerp allereerst eens tussen haakjes geplaatst wordt (reductie) om dat het feitelijk verschijnen van de ware aard (het wezen van het voorwerp) afleidt.

Wat tot nu toe "Sachnähe", "Zu den Sachen-selbst" of “Orginarität" (Oorspronkelijkheid) genoemd wordt is in de filosofie als basis voor filosofische kennis langer bekend onder de naam evidentie. " Auch die Phänomenologie zehrt in ihrem Sinngehalt vom ursprünglichen "leibhaften" Erscheinen dessen, worüber sie Aussagen macht. Ohne Einsicht ('intuitio', 'Anschauung'), die durch ihre Sachnahe und damit Sachhaltigkeit ‘einleuchtet’ (Evidenz), bleibt das philosophische Denken ein Leeres Argumentieren und Konstruieren."

De intentie van het bewustzijn naar een voorwerp is geen statische betrekking op iets, maar geïnspireerd door een tendens naar oorspronkelijkheid. Husserl gebruikt de woorden (Intention-Intendieren) intentie en intenderen als in het alledaagse spraakgebruik, waar ze een streven met een bedoeling (Absicht) betekenen. Het intentionele bewustzijn is in al zijn vormen erop gericht, in de "anschaulichen Selbsthabe des Erlebten" bevrediging te vinden.

"Das Bewusstsein will auf Evidenz hinaus: sie bildet sein Ziel sein Telos.”

Men mag zich het bewustzijn niet voorstellen als een leeg strand, waarop de zee willekeurig voorwerpen aanspoelt; het is geen container, die het niets uitmaakt waarmee hij gevuld wordt; maar het bestaat uit verschillende handelingen, waarvan het karakter door verschillende vormen van voorwerpen bepaald wordt, die uitsluitend in de voor hen passende gegevenheidsvormen  voor het bewustzijn verschijnen kunnen. Dat geldt onafhankelijk van het feit of het voorwerp factisch voor handen is of niet. Als ik mij iets voorstel wat niet bestaat, bepaalt de wijze van de bewustzijnsvoltrekking zich zo: het perspectivistische zien, van het voorwerp, in dit geval: van het ding in de ruimte, op basis hiervan.

“Da die Akte nichts sind ohne die Gegenstände, wovon sie Bewusstsein sind, kann man sagen: Das intentionale Bewusstsein trägt den Gegenstandsbezug in sich selbst."

“Der Charakter der Bewusstseinsvollzüge ist nicht von den zufällig angetroffenen empirischen Gegebenheiten abhängig, sondern vom Wesen, d.h. der allgemeinen Bestimmtheit der Arten von Gegenständlichkeit."

De fenomenologie heeft geen betrekking op de feiten, nl. de bij mensen empirisch vaststelbare individuele gevallen van intentioneel beleven en hun voorwerpen. Ze abstraheert van het toevallige factische bewustzijnsproces en de voorwerpen, en richt haar aandacht op de wetten die het wezen bepalen van, en die de opbouw van de handelingen ( van het bewustzijn) en de in het bewustzijn verschijnende zijnsregionen bepalen. (Deze wetten zijn noodzakelijk en algemeen; ze gelden in elke intentie).

"Die Zurückführung der faktischen Eigenschaften der intentionalen Erlebnisse und ihrer Gegenstände auf die eidetische Bestimmtheit, die ihnen zugrunde liegt und für die die faktischen Eigenschaften nur auswechselbare Beispiele sind, nennt Husserl eidetische Reduktion."

In mijn concreet intentioneel beleven heb ik een bepaalde speelruimtes: ik kan stap voor stap steeds meer voorwerpen thematiseren. Ik kan vrij maar niet willekeurig over deze speelruimte vervoegen. Hoe ik verder thematiseren kan is afhankelijk van regels, waarmee ik op een niet uitdrukkelijke wijze vertrouwd ben. Op deze wijze heb ik een bewustzijn van de verwezenheid van een belevenisvoorwerp op steeds andere voorwerpen.

Deze vertrouwdheid met de geregelde verwijzingssamenhang, waarbinnen ik mijn concrete ervaringen voortzetten kan, noemt Husserl ‘Horizontbewusstsein' en de speelruimte voor mogelijke ervaringen, die daardoor geopend wordt, horizon.

De horizon is in een omvattende zin mijn gezichtsveld, de omtrek van de om mij als middelpunt georiënteerde wereld. Hij verschuift met de positieverandering van het subject. Hij is als speelruimte van mijn ervaringsmogelijkheden iets subjectiefs; ik vind deze mogelijkheden wel als voorgeven, maar zo dat ik het ben die erover beschikt; ik heb het bewustzijn... Husserl noemt mijn horizonbewustzijn het bewustzijn van mijn "Vermöglichkeiten": tot mijn "Vermöglichkeit” hoort het be